Patriot, rentenier, gouverneur, generaal; Herman Willem Daendels (1762-1818) in het Rijksmuseum

Herman Willem Daendels, 1762-1818. In het Rijksmuseum, tot en met 22 september. Bij de tentoonstelling verscheen een gelijknamige essaybundel en catalogus. Uitg. Matrijs. Prijs (f) 39,90 en (f) 45,- (gebonden).

“De Acte van Verlatinghe? Het stokske van Oldenbarnevelt? Dat riep iets op.” Hoe is het nu? Raken museumbezoekers nog onder de indruk van historische voorwerpen? De geschiedkundige kennis van velen schiet tekort zodat het simpelweg uitstallen van attributen niet genoeg is. Een voorbeeld van hoe het wel moet, toont het Rijksmuseum met de expositie over Herman Willem Daendels, een Nederlandse militair uit de Napoleontische tijd. Hij trok met de Fransen in 1795 Nederland binnen, voltooide de Postweg in Batavia en ging met Napoleon naar Moskou. “Daendels leent zich bij uitstek om een periode van de Neder- landse geschiedenis, de zogenaamde Franse Tijd, te illustreren.” DAT POLITIEK uit de loop van een geweer komt weten we sinds Mao Tse Toeng. Maar kan historische belangstelling voortkomen uit de loop van een kanon? Uit de loop bijvoorbeeld van een achttiende-eeuwse Nederlandse zesponder, zoals die nu staat opgesteld in het Rijksmuseum op de tentoonstelling over Herman Willem Daendels? De bezoeker die hier binnentreedt bevindt zich onmiddellijk in de vuurlinie van dit geschut. Moet geschiedenis worden ingepeperd met drama? Ik denk het wel. Ik heb meer onthouden van de geschiedenisleraar die op kleine schaal de sprong van Jan van Schaffelaar naspeelde, dan uit de docent die even verantwoord als slaapverwekkend de strijd tussen Hoeken en Kabeljauwen uit de doeken probeerde te doen. En nog vroeger, een bezoek aan het Muiderslot, heeft mijn fantasie sterker geprikkeld en heeft meer vragen opgeroepen dan de rijen Hollandse, Beierse en Henegouwse graven en gravinnen die ik in dezelfde periode in het hoofd moest stampen. 'Dikkie Dikkie Flo Flo, Dikkie Dikkie Jan'. Dat was het summum van didactiek om de chronologie der Diederikken, Florissen en Jannen bij te brengen. Historische belangstelling begint met een minimum aan drama, met iets wat de adem doet stokken. Met verbazing en met iets waarmee je je kunt identificeren. Maar alles wat vaderlands historisch drama mag heten is de laatste kwarteeuw gereduceerd tot vijftig jaar twintigste eeuw. Het historisch besef van de gemiddelde Nederlander grijpt niet verder terug dan de Beatles in Amsterdam, de wedstrijd Heerenveen-Ajax in 1950, de Tweede Wereldoorlog en de Crisisjaren. Het geheugen van een a twee generaties. Niet meer. Daarvoor begint het Zwarte Gat. Dat het geschiedenisonderwijs geknot is, daar wordt al jaren over geschreven. Zonder resultaat. Maar ook de televisie laat het afweten en blijft in het beste geval steken in periodes waarover filmmateriaal bestaat. Op het gebied van de historische documentaire is Nederland een ontwikkelingsland. Dan blijven als middel tot historische overdracht naar het brede publiek twee middelen over: het boek en de tentoonstelling. Er verschijnen in Nederland voortreffelijke historische studies, dissertaties, bundels, catalogi, Festschriften, soms een heuse biografie, maar bestsellers worden het nooit. Er ontbreekt hier een historische schrijftraditie. BEHALVE Huizinga, De Jong en Presser zijn het altijd literatoren of journalisten geweest die voor een redelijke historische omzet hebben gezorgd. Hella Haasse, Theun de Vries, Paul van 't Veer. En wat die eerste drie betreft: Huizinga verkocht aanvankelijk helemaal niet en stel dat De Jong de Tachtigjarige in plaats van die Vijfjarige Oorlog had gedaan en Presser de vervolging van bedelaars in de achttiende eeuw? Zou iemand hun namen nog kennen? Neem dan de historische tentoonstelling. Die trekt meer bezoekers dan kopers van een historisch boek. De essentie van een historische tentoonstelling is dat origineel historisch materiaal, dat zodanig gerangschikt en opgesteld is dat het een samenhangend en onderhoudend verhaal vertelt. Het is in de eerste plaats een visueel didactisch middel, maar wel een waar men uit eigen vrije wil naartoe gaat en waar men plezier aan beleeft. Naarmate het historisch referentiekader van het publiek aftakelt wordt het voor tentoonstellingsmakers steeds moelijker om hun bedoeling over te brengen. Een brief van Willem van Oranje onder handbereik, dat was vroeger een sensatie waar men best een reisje uit de provincie naar het Rijksmuseum voor over had. De Acte van Verlatinghe? Het stokske van Oldenbarnevelt? De hoed van Thorbecke? Dat riep iets op. Een gedachtenwereld, een beslissende politieke handeling, een nog steeds voelbare beslissing. Nu is het niets anders dan een stukje papier, een stok en een oude hoed. Het verhaal waar deze op zichzelf niet spectaculaire objecten hun waarde aan ontlenen is verdwenen. Men kan dat gebrek aan voorkennis op een tentoonstelling proberen te verhelpen door lange verklarende teksten op te hangen. Maar de bezoeker komt niet in de eerste plaats naar een museum om te lezen, dat doe je thuis in een boek, maar om te kijken. Men kan een videoprogramma en diaprogramma's opstellen, men kan de mensen met koptelefoons laten rondlopen, of rondleidingen geven, maar het blijven allemaal museale hulpstukken. Ook kan men de traditie der vitrines doorbreken en een historische sfeer proberen op te roepen door middel van ensceneringen, door het nabouwen van een ruimte, door muziek, door stemmen, door de bezoeker de suggestie te geven dat hij op zijn minst even snuffelt aan een voorbije tijd en er zo'n beetje in is geweest. In een karretje De show vervangt het historische document. Het decor neemt de plaats in van de vitrine en geschiedenis wordt entertainment. Die kant gaat het op. In de museumwereld heel aarzelend en daarbij loopt Engeland voorop, maar nog veel eerder in de wereld van toerisme. Er is een markt voor cultuurhistorische vrijetijdsbesteding, voor commerciele en historische ensceneringen. De kopiering van Nederlandse stads- en dorpselementen in Nagasaki die te zamen de Beanery van het zeventiende-eeuwse Nederland uitbeelden is daar een voorbeeld van. In Engeland maakt de heritage industry gouden tijden door. In York kan de bezoeker zich in een karretje terug in de tijd laten voeren om uiteindelijk in het negende-eeuwse Vikingdorpje Yorvik te belanden. In Oxford kan men zich op vergelijkbare wijze door achthonderd jaar universiteitsgeschiedenis laten voortrazen. In Frankrijk, recht tegenover het kasteel van Chambord, is een Renaissance-pretperk in de maak. De replica's van Oostindievaarders zijn Nederlandse voorbeelden en eigenlijk kunnen we het zojuist heropende museum Madame Tussaud in Amsterdam hier ook bij rekenen. DE AFDELING Nederlandse Geschiedenis van Het Rijksmuseum heeft een tentoonstelling willen maken over Herman Willem Daendels, een buitengewoon kleurrijk figuur uit de vaderlandse geschiedenis, die leefde van 1762 tot 1818. Als zijn naam nog associaties oproept, dan zijn het er onveranderlijk twee: vechtjas en Postweg. De eerste associatie is terecht. Daendels was een bekwaam militair, een ijzervreter onder verschillende regimes. Het tweede is ten dele waar. De Postweg over Java, onder leiding van Daendels aangelegd in de jaren 1807-1810 was maar gedeeltelijk nieuw. Hij lag er al zo'n beetje. Alleen de onderdelen moesten nog goed met elkaar verbonden worden. Daendels leent zich bij uitstek om een periode van de Nederlandse geschiedenis, de zogenaamde Franse Tijd, te illustreren. Hij speelde in de periode 1785-1815 niet zozeer een sleutelrol, maar wel was hij in alle bedrijven opvallend luidruchtig aanwezig. Dat hij die rol speelde onder wisselende regimes en dat hij ook nog in de kolonien, te weten in Nederlands Indie en in West-Afrika, actief was, is hem niet in dank afgenomen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog raakten die aspecten van zijn leven besmet met het gevolg dat hij gewoon uit het geschiedbeeld is weggeretoucheerd. Nog in 1979 werd een herinneringsplaquette uit de Hervormde Kerk van zijn geboorteplaats Hattem verwijderd, omdat die 'minder passend' zou zijn. Deze tentoonstelling moet niet worden opgevat als eerherstel, maar als een het ongedaan maken van die retouche. Activist Daendels werd in 1765 geboren in Hattem. Hij was er de zoon van een regent, studeerde rechten en ontwikkelde zich in de jaren tachtig tot een patriotsactivist met militaire aspiraties. Hij beijverde zich voor de oprichting van burgerlegertjes. Toen deze zo succesvol werden dat ze de positie van stadhouder Willem V ondermijnden, raakten in 1787 deze nationale conflicten op een internationaal niveau: een Pruisisch leger herstelde het stadhouderlijk gezag, maakte korte metten met de patriotten en joeg hen bij duizenden het land uit, naar Frankrijk. Daendels was een van hen. Hij zou acht jaar in ballingschap blijven. Hield Daendels zich daar in Frankrijk aanvankelijk nog koest - hij richtte een handelsonderneming in Duinkerken op -, na het uitbreken van de Franse Revolutie zette hij zich in voor een Bataafs legioen, dat met de Fransen zijn vaderland zou bevrijden. Die opzet lukte. In januari 1795 trok hij als Frans officier de bevroren rivieren van zijn vaderland over. De stadhouder verliet per visserspink het land, de Bataafse Republiek werd uitgeroepen en daar kreeg Daendels de taak een nieuw leger op te bouwen. Hij deed dat op energieke wijze en verwijderde alle orangistische elementen uit de strijdkrachten. In de twee staatsgrepen van 1798 nam Daendels actief deel. Het volgende jaar werd de Bataafse Republiek bedreigd door een Frans-Engels invasieleger. Daendels had deze aanval moeten afslaan, maar slaagde daar niet in. Dat werd hem kwalijk genomen. Het waren de Fransen die uiteindelijk de invasiemacht in het nauw brachten. Maar Daendels' reputatie was aangetast. Hij vroeg verlof en trok zich terug als hereboer in Overijssel. IN 1807 - de Bataafsche Republiek was inmiddels vervangen door het Koninkrijk Holland - werd Daendels benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indie. Dat was iets anders dan rentenieren te Hattem. Na een een jaar durende reis in Batavia gearriveerd, startte hij onmiddellijk met de reorganisatie van het militair apparaat en het bestuur. Hij schiep een centraal gezag dat een vaste plaats kreeg in Weltevreden. De Postweg werd voltooid, maar in 1811 keerde hij, op eigen verzoek, al weer terug. Als generaal trok hij met Napoleons leger op naar Rusland. Dit fiasco werd ook Daendels noodlottig. Hij raakte in Russische krijgsgevangenschap, keerde weer terug, maar vond na Napoleons nederlaag geen waardig emplooi in Frankrijk, en evenmin in Nederland, hoe hartelijk hij de Bourbons en Oranjes ook feliciteerde met hun herstel op de troon. Ongezond Willem I moest Daendels niet. Het enige wat hem werd aangeboden was het gouverneur-generaalschap van een ongezonde handelspost, die bestond bij gratie van de slaven-, ivoor- en ebbenhouthandel: de Goudkust, het tegenwoordige Ghana. Dit kwam neer op een degradatie en verbanning tegelijk. Misschien dat de lokkende naam Goudkust hem deed toestemmen. Met zijn typische tomeloze organisatiedrift begon hij bestuur, landbouw, infrastructuur en defensie te verbeteren, daarbij zijn eigen particuliere handel nimmer uit het oog verliezend. Twee jaar heeft hij het in dit moordend klimaat uitgehouden. In 1818 overleed hij, niet in een veldslag, maar geveld door malaria en dysenterie. Hij werd begraven in Elmina, waar een ferm monument nog steeds aan hem herinnert. Daendels in een notedop: 55 jaar organiseren, vechten, fulmineren en achter de vrouwen aan. Een hierarchisch denkende organisator, een militair met grote capaciteiten, maar ook een man die zelden op de juiste plaats de juiste handelingsvrijheid bezat, een onstuimig heerschap met grote politieke aspiraties, genekt door zijn gebrek aan tact. De zes essays in de begeleidende catalogus zijn voorzichtig met hun oordeel. Toch vallen er termen als Machiavellisme en opportunisme. Aan zijn persoonlijke leven is helaas nauwelijks aandacht besteed, terwijl daar toch onthullende staaltjes onstuimigheid over te melden zijn, zoals de schaking van zijn vrouw, een huwelijksleven dat ondanks zijn frequente absentie zestien kinderen opleverde, staaltjes van meedogenloosheid op Java en in Afrika, zijn woedeaanvallen, maar ook zijn loyaliteit ten opzichte van zijn troepen; en tenslotte het einde: een door de gele koorts geteisterd wrak dat stofgoud weegt in het fort St. George d'Elmina. Het woeste leven van generaal Daendels verdient een biografie. Die bestaat ook en is geschreven door Paul van 't Veer. Maar verdient hij ook een tentoonstelling? Ik vind van wel en de samenstellers hebben er alles aan gedaan om het relevante Daendels-materiaal bijeen te sprokkelen. Maar wat rest er eigenlijk van de oude vechtjas? Niet veel. Op Java schijnt hij nog behoorlijk bekend te zijn. Net zoals Johan Maurits van Nassau bekender is in Brazilie dan in Nederland en Michiel de Ruyter in Hongarije wordt vereerd omdat hij Hongaarse gevangenen in Algerije heeft losgekocht. In Elmina staat Daendels graftombe, maar bij de opening bleek er van enige stoffelijk rest geen spoor meer te vinden. HET ZIJN de Franse en Nederlandse archieven waar Daendels voortleeft en de speurtocht naar stukjes Daendels heeft vooral daar een grote hoeveelheid brieven, memoranda, dagorders en revolutionair drukwerk opgeleverd en bovendien veel prentmateriaal als kaarten, portretten, en topografische afbeeldingen. Dat is de papieren neerslag van Daendels carriere. De kenner kan er van smullen omdat hij de context, het verband kent. Maar voor het bereiken van een groter publiek is dat te mager. Daarom vervolgt het Rijksmuseum de lijn van eerdere gedramatiseerde inrichtingen (over de waterstaatkundig ingenieur Jan Blanken, een tijdgenoot van Daendels, in 1987 en over de walvisvaarders op Smeerenburg, in 1988). Maar daar was er veel meer driedimensionaal materiaal voor handen. Om Daendels uit het papier te verheffen heeft het Rijksmuseum een beroep gedaan op de Engelse ontwerper Martyn Bainbridge die voor Madame Tussaud werkt en in Engeland enkele historische tentoonstellingen heeft gemaakt (onder andere over de Armada). Zijn inrichting in Amsterdam is zeer geslaagd. De hele tentoonstelling volgt Daendels politieke en militaire carriere in chronologische volgorde. Enorme collages van uitvergrote spotprenten, portretten en wanddecoraties uit de patriottentijd bepalen de eerste zaal. Daendels portret achter het centraal opgestelde kanon domineert. Daarna volgt een zaal waar men zich in een revolutionaire feesttent bevindt, compleet met erepoort en de spreuk 'Vrijheid, Broederschap, Gelijkheid' en opwekkende marsmuziek. Vervolgens betreedt men de koloniale periode, met palmbomen en rieten wanden. Het eind toont het graf van de hoofdpersoon op halve grootte. In een laatste zaal kan men een videoprogramma over de Postweg bekijken en een gereconstrueerd gesprek aanhoren van twee oudgedienden die in 1820 herinneringen aan Daendels ophalen. Bij elkaar een perfect uitgevoerde tentoonstelling, die eigenlijk maar een zwakke plek heeft: het betrekkelijk eenzijdige papieren materiaal dat op Daendels betrekking heeft. Sabels, degens, vaandels en een maarschalkstaf zijn samen met de betreffende documenten, prenten en kaarten mooi opgesteld, maar dat verdoezelt niet het gebrek aan objecten. Het blijft een archieftentoonstelling, die met grote vindingrijkheid, technisch vernuft en lef omgetoverd is tot een spektakel. De vorm heeft op geslaagde wijze de inhoud gered. Toch ligt de toekomst van de historische tentoonstelling in deze richting. Ze maakt ook haarscherp duidelijk dat niet het onderwerp, hoe fascinerend ook, een tentoonstelling laat slagen, maar in de eerste plaats het nog aanwezige materiaal en de wijze van inrichten.