Parasieten & andere meeeters

Een moment dacht ik de vondst van mijn leven te hebben gedaan. In het antiquariaat lag het boek 'Berlijn, een herfstsprookje in zevenentwintig hoofdstukken', in 1861 uitgegeven door de Gebr. Binger te Amsterdam. 'Mich fuhrte mein Musenross nach Berlin; - Die Hauptstadt ist's in Preussen - Drum will ich auch mijn Herbstgedicht - Nach seinem Namen heissen.' Een onbekende Heinrich Heine, in geen enkele editie van zijn Verzamelde Werken te vinden. De bezorger spreekt over een 'posthuum gedicht', door Heine onvoltooid achtergelaten. 'Het is uit zijn concepten samengesteld, door derden rijp voor publicatie gemaakt.' Was getekend: Friedrich Steinmann, waarmee de vondst van mijn leven tot zijn ware proporties was teruggebracht. Want deze Steinmann was de grootste literaire zwendelaar van de negentiende eeuw en dat Berlijns herfstsprookje is dan ook niet door Heine, maar door hem geschreven.

Zij waren jeugdvrienden, in de vroege jaren twintig van de negentiende eeuw, studenten aan dezelfde universiteit en beiden verslingerd aan poezie. Heine las, zo berichtte Steinmann, in die tijd bij voorkeur de gedichten van Byron, die hij als een Britse geestverwant beschouwde. 'Terzijde zij opgemerkt dat Heine zich in de zomer van 1820 regelmatig met een kano naar het, op een uur afstands gelegen, dorpje Godesberg liet roeien, languit op zijn rug op de bodem van het vaartuig liggend, een deeltje Byron (in de Zwickauer editie) in de hand.' Het is een romantisch beeld, dat biografisch lijkt te worden bevestigd door het gedicht dat Heine over zijn 'Rheinfahrt im Kahne' heeft gemaakt. Ik citeer de eerste strofe: 'Im Kahne lieg' ich ausgestreckt, - Den Britten in der Hand. - Der Schiffer mit der Stange halt - Das Schiff vom Ufersand.' Want, zegt de bezorger in een voetnoot: 'Heine was in deze periode bezig Byron in het Duits te vertalen.' Was getekend: Friedrich Steinmann, die het heeft bestaan om na Heines dood, behalve dat Berlijnse herfstsprookje, twee bundels zogenaamde Heinebrieven en drie bundels zogenaamde Heinegedichten bij elkaar te fantaseren. Het enige dat niet aan deze Steinmann gelogen was zijn die paar kattebelletjes die hij ooit van de jonge Heine heeft ontvangen. In de eerste recenseert de dichter zijn eigen drama Almansor. Dat is, schreef hij, ongetwijfeld 'een prachtwerk', sprankelend als 'een betoverde snoer diamanten', maar het is 'geen goede tragedie, het verdient deze benaming niet eens.' In de tweede bericht Heine dat hij voor de tijdsduur van een half jaar de universiteit is afgegooid. Het geschiedde wegens het overtreden van het duelleerverbod, want de bleekzuchtige dichter met zijn permanente migraine placht regelmatig naar de sabel te grijpen, vooral als zijn medestudenten zich weer eens over het joodse vraagstuk hadden uitgelaten. In de derde gaf Heine Steinmann dichtles: 'Betracht de strengste zelfcritiek. Het is het alpha en omega van de kunstenaar.' Steinmann honoreerde deze wijze raad door zijn vriend en leermeester een kwart eeuw lang te bestelen, te parafraseren, te plagieren en met verzonnen biografieen op te zadelen. Tijdens Heines leven. En na Heines dood, toen diens stoffelijk overschot al snel door parasieten en meeeters werd overwoekerd. Men stelle zich de situatie voor. Het was niet precies bekend welke literaire erfenis de dichter had nagelaten. Lagen er nog gedichten bij zijn uitgever Julius Campe? Had de weduwe wellicht nog een ongepubliceerd reisverslag in portefeuille? En hoe stond het met de memoires waar Heine mee had gedreigd, voornamelijk overigens om zijn sidderende familie het geld uit de zak te kloppen? Er viel dus aan de inmiddels wereldberoemde dichter geld te verdienen, legaal en illegaal. Zo werd Heine vanuit de groeve plotseling verrassend productief, zij het door de exclusieve bemoeienis van zijn spookschrijvers. Reeds in het sterfjaar 1856 verscheen Heinrich Heines Hellevaart (in werkelijkheid geschreven door ene Wolfgang Muller von Koningswinter). Eerste alinea: 'Macht auf, macht auf das Hollethur. - Ich bin der Heinrich Heine. - Sankt Peter am Himmel wies mir ab. - Ich muss zu der dunkeln Gemeine.' Het boek werd een jaar later gevolgd door Heinrich Heines Hemelvaart (geschreven door ene Emille Emma von Hallberg). Dat was overigens geen vervalsing, maar een parodie op de eerder gepubliceerde vervalsing. Tweede alinea: 'Doch wenn ich auch todt und begraben bin, - Mein Geist wirdt nimmermehr sterben - - Den Campe verliess ich ein gutes Thell - Und hab auch noch andere Erben. Zoals die Friedrich Steinmann, nota bene advocaat van professie, zij het ongetwijfeld van kwade zaken. Hij bood uitgever Julius Campe reeds enige maanden na Heines dood het manuscript 'Heinrich Heine, behartenswaardigheden uit mijn herinneringen aan hem' aan, herinneringen die eveneens grotendeels verzonnen moeten zijn, want de beide jeugdvrienden hadden elkaar al driekwart mensenleven niet meer gezien. Het was in feite een ongehoorde brutaliteit: een paar maanden eerder had dezelfde Steinmann geprobeerd dezelfde Julius Campe het manuscript 'Rothschild en zijn Tijd' in de maag te splitsen, dat in werkelijkheid door Heine geschreven (en door Steinmann overgeschreven) was. Campe wist dus: Steinmann was niet alleen een leugenaar, maar ook een letterdief. Heeft Steinmann zijn nepmemoires ooit bij een andere uitgeverij weten te parkeren? Ik weet het niet. Ik zou het geschrift graag eens willen lezen. Want hoe heilig de waarheid ook moge zijn, literaire zwendel op dergelijke schaal is een artistieke prestatie op zichzelf.