Op een middag werd ik gedood; De onverwachte gebeurtenissen in de wereld van Toon Tellingen

Toon Tellegen: Een langzame val. Uitg. Querido. 48 blz. Prijs (f) 25,-

Toen ik na het lezen van Een langzame val, de laatste bundel van Toon Tellegen, nog eens las wat ik anderhalf jaar geleden over zijn vorige bundel schreef, schrok ik wel even. Ik bleek naar aanleiding van deze eenenveertig nieuwe gedichten eigenlijk niets nieuws en opmerkelijk veel van hetzelfde bedacht te hebben. Dat zegt iets over mij, maar toch ook wel iets over Tellegen. Wie ook zijn eerdere bundels leest, kan door eenzelfde lichte schrik bevangen worden. Ze zien er allemaal naar vorm en inhoud onrustbarend gelijkvormig uit. Tellegen is er sinds 1980, in acht bundels, in ruim driehonderddertig gedichten in geslaagd nauwelijks enige ontwikkeling door te maken. Ziehier de Tellegen-kwestie. Hoe meer men in Tellegen leest, hoe meer men overtuigd raakt van zijn eentonigheid. Maar hoe meer men overtuigd raakt van zijn eentonigheid, hoe meer sympathie zijn monomane onderneming afdwingt. Zo kan wrevel verkeren in gefascineerdheid, ingegeven door de romantische gedachte dat juist in het eindeloze varieren van Tellegen zijn wezen gevonden kan worden. Overigens is er voor de toevallige Tellegen-lezer weinig reden tot wrevel, want Tellegen is op het eerste gezicht een onschuldige dichter, licht, sprookjesachtig en argeloos, amusant en altijd begrijpelijk. Ook Een langzame val bevat weer grappige tafereeltjes, kindergebeurtenisjes, sprookjes, dromen en absurde fantasieen. Er is weer een gedicht over een man die langzaam bezwijkt onder de last van een stofje op zijn schouder, een gedicht over de gedachten van een appel op een fruitschaal, over mensen die bij de thee een trommeltje cafe noir leegeten en er zijn, zoals altijd bij Tellegen, weer veel vliegen en vliegjes en muggen en mugjes. Dit alles wordt ook hier bezongen in vrije, rijmloze verzen, met veel uitroeptekens, zonder opvallende beeldspraak en zonder moeilijke woorden. De merkwaardigste woorden in Tellegens poezie zijn nog wel plotseling en onverwacht: merkwaardig, omdat ze zo pleonastisch zijn in zijn van plotselinge onverwachtheden aan elkaar hangende wereld. In die wereld is veel mogelijk. Het meest opmerkelijk zijn de vrijheden die Tellegen zich veroorlooft in de buurt van de grens tussen het 'ik' en de wereld en die tussen leven en dood. Bij hem kan een 'ik' zich vrij letterlijk in meer 'ik'-ken splitsen, die soms in gesprek met elkaar raken, ook als een van hen door de dood getroffen is. De toon blijft onveranderlijk luchtig. 'Op een middag werd ik gedood', merkt de dichter ergens verwonderd op, 'Ik dacht nog: wat vreemd.' Elders wordt door een paar zieken vrolijk gestorven, 'nog nagenietend', en in weer een ander geestig gedicht gaat de dichter op excursie bij de drie schikgodinnen die zich bij hun spinnewiel juist buigen over zijn levensdraad. Met zulke gedichten kan men nog alle kanten op. Ze kunnen gelezen worden als speelse fantasietjes, scenario's voor absurde toneelstukjes. Maar er valt ook genoeg te interpreteren, in psychologische zin bijvoorbeeld, en dan zijn dit verbeeldingen van een groot verlangen naar vrijheid en een even grote angst voor de grootste bedreiger van die vrijheid: de dood. Nu is deze tweespalt binnen het oeuvre van Tellegen altijd al meer of minder verborgen aanwezig geweest, maar het is misschien wel voor het eerst dat dit doodsbesef met een zekere berusting gepaard gaat. Niet eerder gaf Tellegen aan een bundel een titel die zo gemakkelijk in deze richting geduid kan worden: het leven als een langzame val. Niet eerder liet hij zijn bundelcompositie zo duidelijk van de chronologie afhangen: jeugdherinneringen in het begin, valpartijen aan het eind. Niet eerder liet hij een illustratie op het omslag van zijn bundel opnemen. We zien een deel van een Atheense drinkschaal uit 560 v. Chr. met daarop vier gehelmde Grieken die kennelijk vaak naar de video van 'Walk like an Egyptian' hebben gekeken. Ze maken een dansje en-of zijn aangeschoten, maar het is ook mogelijk in hun 2500 jaar geleden vastgelegde standjes een langzame val te zien. Hun val voltrekt zich al eeuwenlang en is nog steeds niet voltooid, maar eens zal het er van komen, zo weet ook de dichter. Zie het volgende gedicht, zeldzaam geresigneerd voor Tellegens doen, dat onze dansende Grieken op het lijf geschreven lijkt: Alles valt in stukken uiteen, alles wat is, elk stuk in nieuwe stukken, telkens weer, of we nu oud zijn en wegwaaien en onszelf vergeten of jong zijn en groot en nooit zullen breken - als kruiken van aardewerk - hoe mooi zijn wij beschilderd, goden achtervolgen goden om ons heen... en de zon gaat onder, glijdt over cipressen, wijnstokken, kraaien, glijdt de heuvels op. In een ander gedicht, eveneens aan het eind van de bundel te vinden, 'komen wij onszelf tegen', draaiend rond ons midden en turend naar wat zich daar afspeelt. Niet eerder was Tellegen zo zeker van wat er in onze kern te vinden is: Dan schuiven wij iets op, beschrijven een kleinere cirkel - ah, nu zien wij het pas goed, er wordt verwelkt in het midden, er wordt daar minutieus verdord. Tellegen doet het op zijn eigen onbevangen manier, en hij is al veel te vaak met anderen vergeleken, maar het is moeilijk om bij deze gedichten niet aan het oeuvre van Hans Faverey te denken. Net als bij Faverey draait het hier voortdurend om de dood, in reeksen die niettemin proberen de dood te vlug af te zijn. Een langzame val is, voor wie hem althans in het licht van zijn zeven voorgangers ziet, een opmerkelijk uitgesproken bundel, een grote stap vooruit (of achteruit) in een zich heel langzaam voltrekkende langzame valbeweging. Meende ik anderhalf jaar geleden nog dat Tellegen vanwege zijn vele herhalingen het best per gedicht genoten kon worden, nu zou ik wel naar het tegendeel willen overhellen. Wie Tellegen wil lezen, moet hem per reeks, per bundel, liefst per oeuvre tot zich nemen. Driehonderddertig gedichten, in een sessie. Ik ben benieuwd naar zijn volgende acht bundels.

Vanavond om 20.00 uur leest Toon Tellegen voor op Poetry International in Rotterdam