Nieuwe studie sportmanagement moet 'lacune' dichten; 'Het leiden van de vrijwilliger'

GRONINGEN, 28 JUNI. Neem een bedrijf met een omzet van 10 miljoen gulden, laat er 25 mensen werken en geef de leiding aan een bestuur van vrijwilligers dat de zaken op een vrijdagavond regelt. Is dat voorstelbaar? Met een retorisch antwoord op dit probleem in een notedop zette het Sport Management Instituut (SMI) in Groningen gisteren het uitreiken van het diploma aan de eerste lichting sportmanagers van Nederland kracht bij. Zij moeten in de steeds commercieler wordende sportwereld voorzien in een toenemende vraag: het managen van de vrijwilligers.

In 1990 begon de stichting Academische Opleidingen Groningen de post-doctorale opleiding Sport Management, een project waarbij de Groningse Rijksuniversiteit en de Rijkshogeschool samenwerkten. Met de integratie van sport en management in een cursus beoogde men wat een van de initiatiefnemers R. Westerhof noemt “de lacune op bestuurlijk-managementniveau” te dichten. Want volgens Westerhof is het nauwelijks meer te verantwoorden dat vrijwilligers tussen de dagelijkse beslommeringen door een sportorganisatie leiden. “Kijk alleen al naar de hoeveelheid geld en het aantal participanten in de sport. In het bedrijfsleven zijn dat relevante criteria voor een professionele organisatie.” Dat de eerste afgestudeerde sportmanagers zich als een vis in het water zullen voelen in het spanningsveld van de bestuurlijke sport (veel vrijwilligers met relatief weinig toegespitste scholing) stond gisteren voor vrijwel iedereen vast. Bij de selectie van de eerste cursisten is gekeken naar de 'veldervaring' die, gecombineerd met de theorie die bij de opleiding wordt aangeboden, moet leiden tot een kwalitatieve verbetering van het sportkader. Het einde van de vrijwilliger die met pijn en moeite tijd kan vrijmaken voor een bestuursvergadering? Westerhof: “Nee, maar de vrijwilliger moet worden geleid. En mensen met zowel een sportinhoudelijke achtergrond als managementvaardigheden zijn daarvoor uitermate geschikt.” In dat opzicht is het dan ook niet verwonderlijk dat men bij de selectieprocedure een “zo'n heterogeen mogelijke groep” voor ogen had van mensen die al in de sport werkzaam waren. Gemeenteambtenaren van sportzaken deden mee alsmede de directeur van de Nederlandse Toer Fiets Unie, maar vooral vielen de namen van de bij topsport betrokken cursisten op. Gistermiddag mochten zij hun eindprojecten presenteren. Tussen het met vijf anderen geschreven 'Project Olympische steunpunten topsport' van Frank Leistra (doelman van het Nederlandse hockeyteam), 'Sport verdient sportmanagement' van onder anderen Arie Kauffman (technisch directeur van de atletiekunie) en 'Visions to the future' van ijshockeybondscoach Larry van Wieren leek het werkstuk 'Achilles'94, 100-jarig bestaan, en dan...?' van co-auteur Theo Verlangen ogenschijnlijk wat eenvoudiger van opzet. Verlangen is het prototype van de praktijkman, hield het drie jaar op de HBS uit maar begon daarna aan een indrukwekkende rondgang langs verschillende voetbalclubs. “Die ervaring wilde ik koppelen aan de broodnodige theorie en ik moet zeggen dat er een wereld voor me is opengegaan”, zegt Verlangen, die er een wat tijdrovender leermethode dan de andere cursisten op nahield. “Wat ik gewoon in tien seconden zei, duurde drie minuten bij de rest. Daar moest ik zo aan wennen dat ik alle lessen op microcassettes opnam. Die speelde ik dan thuis nog eens af: luisteren, stopzetten, opschrijven. Daar was ik van 's ochtends negen tot 's middags vier mee bezig. Ik heb nu zestig van die bandjes van twee uur, de laatste tien heb ik nog niet eens gehoord omdat ik het te druk had met het eindproject”, kijkt de technisch directeur van Veendam terug. De nodige flexibiliteit, gisteren voor een sportmanager “onontbeerlijk” genoemd, kan Verlangen in ieder geval niet worden ontzegd. En in dat kader verdiende ook het televisie-optreden van voorzitter Amand Lundqvist van Feyenoord een pluim in het slotbetoog bij de diploma-uitreiking. “Zomaar in de camera je supporters toespreken en tot rust manen, dat mag je gerust een vorm van sportmanagement noemen.”