Muziekminnaars

Als vriend van het Concertgebouw in Amsterdam vraag ik me steeds vaker af wat sommige mensen toch drijft tot concertbezoek; sterker nog: tot een abonnement.

Neem de mevrouw drie rijen schuin voor mij. Rechtsonder in mijn blikveld is ze voortdurend in beweging. Over de verschijning van de dirigent houdt ze ruggespraak met een kennisje dat voor haar zit. Tijdens de uitvoering schudt ze haar coupe soleil, rinkelt met haar sieraden, kletst rechts, kletst links, ritselt met het programma, giechelt, helt sterk over om iemand te zien en bekijkt met gestrekte arm haar nagels. Van achteren lyceum, van voren museum, denk ik haatdragend als ze haar hoofd omdraait. Was het abonnement misschien een cadeautje? Moet ze van haar psychiater, van zichzelf? Ontvlucht ze haar man? Is het het Mozartjaar? Heeft ze zich vergist - zoals opgeschoten jongetjes per ongeluk bij een Koreaanse avant garde film verzeild raken in de verwachting Kung Fu te zien? Als we mogen klappen springt zij enthousiast op - als een kind bij de schoolbel - en ze gaat schutterig weer zitten zodra ze merkt dat ze de enige is. Hoewel het me ergert dat mensen meteen maar gaan staan klappen, ook bij een middelmatige uitvoering, begrijp ik het van haar wel: ze is gewoon nog niet toe aan zo lang stilzitten. Nee, dan de twee mevrouwen aan mijn rechterkant. Zij zitten muisstil. Keurig. Zij klappen niet. Eerst dacht ik zuivere staaltjes van selectief applausgedrag te hebben ontdekt: ze doen niet mee met de domme massa die klapt en klapt en klapt, ongeacht de kwaliteit. Maar deze twee klappen nooit. Ik denk dat ze heel stil van binnen genieten, ze zijn het applaus 'voorbij'. Waarom zouden ze anders hun abonnement twaalf avonden lang uitzitten? Ook al begrijp ik mijn buren niet, ik heb ze toch liever dan de opscheppers die er als de kippen bij zijn met hun keihard applaus om ons te laten weten dat het stuk 'uit' is. Of die ene meneer die als de klank nog in de lucht hangt altijd losbarst in een geaffecteerd 'Bravo!' De mevrouw pal voor mij zit tenminste heel rustig en klapt gepast als de klank verstorven is, die komt duidelijk voor haar plezier. Maar wat doen al die zieken in de zaal; waarom blijven ze niet thuis in bed? Betekent muziek dan zoveel voor ze dat ze hier komen kuchen, hoesten, snuiten, proesten, ja briesend niesen zelfs? Je hoort wel eens beweren dat het een concentratieprobleem is, maar ik gooi het op Lubbers: Nederland is ziek, en het is veel erger dan we allemaal dachten. Pas wie regelmatig naar een concert gaat, raakt doordrongen van de omvang van het probleem. Zo opgelucht klinkt het hoestsalvo zodra de laatste noot is verklonken en zo bevrijd het doorhoesten voor we weer een minuut of twintig stil moeten zijn. Hoe erg die lijders er aan toe zijn merk je pas goed als de maten rust in een muziekstuk wat lang uitvallen. Het was 100 jaar geleden ook lawaaiig in concertzalen, zeggen mensen met erg veel begrip. Ik weet zeker dat het mij 100 jaar geleden ook zou hebben gestoord. En als 'je laten zien' en 'erbij geweest zijn' opnieuw de drijvende krachten vormen achter al die uitverkochte zalen, dan luister ik liever thuis. De haast waarmee sommigen zich niemand ontziend naar de uitgang spoeden zodra de dirigent zijn armen laat zakken stelt mij weer een beetje gerust. Echte liefhebbers natuurlijk, die zich uit hun provinciale nest hebben losgescheurd en nu nog net de laatste trein kunnen halen. De enige bezoekers die er rond voor uitkomen dat het concert een verplicht nummertje voor ze is zijn de sponsors, of liever gezegd hun gasten. Die hebben niet voor hun kaartje betaald en dat laten ze merken ook. Als de pauzegong twee keer heeft geklonken blijft er een hele rij plaatsen open die voordien waren bezet. Fijnproevers die het volgende stuk niet apprecieren? Welnee, tot verbazing van ons, betalende genieters, komen ze druk keuvelend met hun dames en heren op hun akkertje binnenwandelen, en ze maken nog rustig in het gangpad hun gesprek af; de muziek is er voor en door hen en zij zijn er niet om de muziek. Nog even en ze drentelen de zaal in met een jaarverslag of een glas in de hand. Begrijpelijk - als je 's avonds ook nog moet werken!