Liberalism en liberalisme

“Met de stelling dat 'het liberalisme gewonnen heeft' ben ik het, net als Verbeek, niet eens. Mijns inziens heeft de sociaal-democratie gewonnen.” Dit schrijft J. Tinbergen in een artikel in onze krant van 25 juni, waarin hij het boek Economie als wereldoorlog van H. Verbeek bespreekt.

Ik weet niet aan wie Tinbergen of Verbeek die stelling toeschrijft. Als ze haar aan de Amerikaan Francis Fukuyama toeschrijven, wiens opstel “The End of History?” verleden jaar heel wat stof opwierp, dan schuiven ze hem iets in de schoenen dat hij niet betoogd heeft. Inderdaad heeft Fukuyama in dat bewuste opstel betoogd dat liberalism de koude oorlog heeft gewonnen, ja zelfs dat er, na de nederlaag van fascisme en communisme, geen levensvatbare alternatieve politiek-sociale ideologieen meer zijn voor liberalism. Dat is in Europa - door liberalen, maar ook door anderen - klakkeloos vertaald met: het liberalisme heeft de koude oorlog, ja het pleit van de hele wereldgeschiedenis gewonnen. Maar... liberalism mag je niet met liberalisme vertalen, want het is iets anders. Liberalism is - en ik citeer hier het Amerikaanse Random House Dictionary of the English Language - “een politieke of sociale filosofie die de vrijheid van de individu, een parlementair regeerstelsel, niet-gewelddadige wijziging van politieke, sociale of economische instellingen bepleit, teneinde een onbeperkte ontwikkeling in alle sectoren van het menselijk streven en van regeringswege waarborgen van individuele rechten en burgerlijke vrijheden te verzekeren.” De Engelse Concise Oxford Dictionary of Current English zegt het iets eenvoudiger: een beweging die “democratische hervormingen en afschaffing van voorrechten voorstaat”. In elk geval omschrijven beide definities een begrip dat veel meer omvat dan wat gewoonlijk op het Europese vasteland onder liberalisme wordt verstaan: een politieke richting die zoveel mogelijk afschaffing van overheidsdwang - niet in de laatste plaats op economisch gebied - bepleit. Onder de Angelsaksische definities kunnen dus niet alleen het klassieke liberalisme, maar ook de sociaal-democratie en zelfs een verlicht conservatisme vallen. En dat is in de Amerikaanse praktijk ook zo. (In Engeland is dat iets moeilijker, maar alleen omdat er daar partijen zijn die zich Conservatief en Liberaal noemen). Fukuyama heeft dus niet beweerd dat het liberalisme, zoals wij dat in Europa, en meer in 't bijzonder: in Nederland, kennen, gewonnen heeft. Hij heeft gezegd dat die filosofie waarvan ik hierboven twee definities heb weergegeven en die in de Angelsaksische landen, en vooral in Amerika, liberalism wordt genoemd heeft gewonnen. Of hij, met Tinbergen, zou zeggen dat de sociaal-democratie gewonnen heeft, is de vraag; maar aangezien de sociaal-democratie heel goed onder die Angelsaksische definities, dus onder liberalism, gebracht kan worden, mag, dunkt me, Tinbergen tevreden zijn wanneer Fukuyama zegt: liberalism heeft gewonnen. Ik durf zelfs te veronderstellen dat Tinbergen het ermee eens is. We zullen niet verder op de merites van Fukuyama's opstel ingaan. Dat is indertijd uitentreuren gebeurd, en daarbij zijn hem nog heel wat meer uitspraken toegedicht (meestal door mensen die zijn opstel helemaal niet hadden gelezen), bijvoorbeeld dat het einde van de geschiedenis (waar hij overigens zelf een vraagteken achter had gezet!) betekende dat er helemaal niets meer zou gebeuren, terwijl hij eronder verstond: het einde van de ontwikkeling van het menselijk denken over beginselen van politieke en sociale organisatie. Zeker, ook dat is een stelling waarover gediscuteerd kan worden, maar waar het me hier om te doen is, is te beweren dat, als er over Fukuyama's stellingen gediscuteerd moet worden, dat moet geschieden op grond van wat hij werkelijk geschreven heeft. (Tot goed begrip: ik beweer niet dat Tinbergen en Verbeek dat niet doen, want - nogmaals - ik weet niet of ze hem bedoelen wanneer ze ontkennen dat het liberalisme heeft gewonnen.) Kan er nog over getwist worden of het liberalisme (dan wel liberalism) de koude oorlog gewonnen heeft, onbetwistbaar lijkt het dat Amerika die gewonnen heeft. Wanneer de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken in de hoofdstad van Albanie wordt toegejuicht door een menigte van tussen de twee- en vierhonderdduizend man - dat is tussen de 10 en 20 procent van de totale bevolking van het land, dat tot voor kort het meest stalinistische was van heel Europa - dan valt moeilijk te ontkennen dat Amerika de winnaar is. Of die overwinning zal beklijven, is een andere vraag. Als we aannemen dat de menigte even hard gejuicht heeft om de gedroomde vleespotten van Amerika als om het abstracte idee van het Amerikaanse liberalism, dan moet de zes miljoen dollar die minister Baker Albanie heeft beloofd, nu al een teleurstelling zijn. Misschien kunnen, wat dat betreft, de Albanezen beter kijken naar de Europese Gemeenschap, maar die heeft het laten afweten. Een Europa dat in eigen huis, althans op eigen continent, de show door het verre Amerika laat stelen, maakt zijn politieke pretenties niet waar of, anders gezegd: levert daarmee het bewijs van zijn politieke armoede, sterker: van zijn politieke non-ens (Latijn voor iets dat niet bestaat en niet kan bestaan). In Tinbergens bespreking van Verbeeks boek Economie als wereldoorlog op 25 juni waren de vermelding van de uitgever (Kok, Kampen) als ook de prijs (f 29,50) helaas weggevallen. (red.)