JUNI '66 - WIM BIELER (Q65); Dan denk je toch: shit, dat is iets geweest

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. In de polder van de Bijlmermeer werd de eerste paal geslagen voor de stad van de toekomst, iedereen hield de adem in bij de verschijning van een nieuwe lp van de Beatles of de Stones en op de 14de juni 1966 brak in Amsterdam een ongekend straatoproer uit. Hoe kijken betrokkenen vandaag de dag terug op die woelige jaren? Vandaag Wim Bieler, oud zanger van de toenmalige topgroep Q65, over de 'muziekscene' in het algemeen en die van Den Haag in het bijzonder.

DEN HAAG, 28 JUNI. Hij woont op een etage in een oud pand in Scheveningen. Tweede knop van boven, drie maal bellen, dan komt-ie naar beneden. Even later, in een strandtent, pakt de 19-jarige jongen die daar bedient ongevraagd de twee Top 40's van tafel en begint Wim Bieler omstandig college te geven over de Beach Boys - in de laatste week van juni 1966 op de vijfde plaats - en de Animals. 'The life I live' van Q65 was ook een 'wereldnummer', weet de rossige kelner. De verbazing is af te lezen van het gezicht van Wim Bieler (44) en het duurt even voor hij zich als oud-zanger van Q65 bekend maakt. De kelner beent weg zonder een spier te vertrekken. “Dat Q65 is kennelijk toch een begrip geweest,” zegt Bieler. “Dat hebbie vaak niet in de gaten. Maar dan komen er mensen naar je toe, die dan zeggen dat ze onder het beluisteren van 'The life I live' hun eerste wip hebben gemaakt. Ik noem maar wat. Dan denk je toch: shit, dat is iets geweest.” In die laatste week van juni vijfentwintig jaar geleden stond 'The life I live' elfde en klom gestaag. In het kielzog 'Homeward Bound' van Simon en Garfunkel, 'Dedicated follower of fashion' van The Kinks en 'Welterusten meneer de president' van Boudewijn de Groot. “Ja, ik zie het. 'Paint it black' van The Stones stond nummer een. Onbegrijpelijk eigenlijk, we waren net een jaartje bezig.” Wim Bieler was achttien toen hij begon. Hij had juist een baan als electricien, nadat hij van de LTS was gekomen. “We waren echte Hagenaars. Ik woonde in Morgenstond, die wijk was eigenlijk net klaar. Dansen gingen we in de Marathon. Zo ben ik er ook bij betrokken geraakt. D'r waren daar een paar jongens die een band op wilden richten. En ik kon onwijs dansen. Als ik stond te swingen ging iedereen opzij om te kijken. Daarom werd ik gevraagd. Ik kon geen hout zingen. Ja, in de kerk had ik natuurlijk vroeger gezongen, maar verder niet. En ik had waanzinnig lang haar. Nou, dus dat was geregeld. Hadden ze nog een bassist en een drummer nodig. Dat werden Peter Vink en Jay Baar. Die konden natuurlijk ook niet spelen, maar dat maakte toen gewoon niet zo veel uit, weet je.” Ze repeteerden in de hal van een tandartsenpraktijk aan de Goudenregenstraat. “Voor toen ging dat goed. En we traden vrijwel meteen op in de Marathon. Dat liep als een speer natuurlijk. En verder trad je op bij die rolschaatsbanen, zoals de Eekhoorn in het Zuiderpark. Dat was onwijs, joh. Daar hadden we later ook repetities. Ze zijn zelfs entree gaan heffen omdat wij daar repeteerden, niet te geloven. Maar veel repertoire hadden we niet. Beetje coveren, weet je. Eerst Pretty Things, Kinks, Stones, geen Beatles, daar hield ik niet van. En veel blues. Muddy Waters enzo. Niemand kende dat, dus het was net of het van ons was.” Den Haag was de muzikale hoofdstad van Nederland. Q65 was 'de ruigste' band. The Motions, The Golden Earrings - toen nog meervoud -, The Shoes en Hu en de Hilltops beklommen de hitladders echter met even veel gemak. “Peter Koelewijn vroeg ons op een gegeven moment naar Hilversum te komen. Wij dachten een auditietje ofzo. Maar nee, meteen pats drie nummers opgenomen. Toen waren we net een half jaartje bezig. Ik vond het wel prachtig in die studio's. En interviews natuurlijk, onwijs veel interviews voor radio en televisie. Het liep allemaal vanzelf. “We waren ontzettend revolutionair. En niet bij iedereen even bemind. Ze hadden het ook wel over IQ65, weet je wel, die tegenstanders. Maar we waren niet revolutionair in politieke zin. We stonden gewoon lekker muziek te maken. Ik bedoel: wij schopten wel, maar niet bewust. Je had wel in de gaten dat Provo de boel overhoop gooide, maar dat was Amsterdam. Amsterdam was Provo en rellen, Den Haag zorgde voor de muziek. Wat had je nou in Amsterdam? The Outsiders en The Hunters. Verder zou ik het niet weten. Maar we waren in Amsterdam niet erg populair hoor, dat merkte je goed. Je zat natuurlijk die Outsiders in de weg. Omgekeerd had je dat ook. Dacht je dat die jongens hier aan de bak kwamen?” Ze traden vier keer in de week op en meestal tweemaal op een zondag. “En veel repeteren, want d'r moesten nieuwe nummers komen. Je had geen tijd om na te denken. Dat je tussen de Stones en Simon en Garfunkel in stond, dat had je niet in de gaten. Je stond onbevangen tegenover alles.” En ze verdienden veel geld. “Achthonderd gulden in de week, zo'n beetje. Terwijl je op de fabriek honderdvijftig piek in de maand ving. Dus wat ga je dan doen? Precies. Uitgeven die handel. Ik had een sportwagen, een Austin Healey. Ik heb, laat ik maar zeggen, ruim geleefd. Dat is wel een vervelende erfenis, hoor. Daar kom je niet makkelijk vanaf.” De leden van Q65 hadden een nogal individuele wijze van optreden. Bieler kwam zich zelf tijdens een nummer nogal eens onder het drumstel tegen - “we namen wel eens wat, want anders bleef je niet op de been”- en realiseerde zich dan dat ze aan een nummer bezig waren. De songs werden allemaal van tekst voorzien door Jay Baar. “Echt een fantast, Jay. Die nummers als 'From above' en 'World of birds', dat waren echte drugssongs. Jay was toen al bezig.” De Kjoe, zoals de band in Den Haag bekend stond, zou het tot januari 1968 redden. Toen moest Wim Bieler in dienst. “Half '69 kwam ik uit dienst en toen is de boel weer bij mekaar getrommeld. Behalve Jay, die kon niet meer. Drugs, he. Hij is vorig jaar in Amsterdam overleden. Ik was de enige op zijn begrafenis, met een paar van die begeleiders. Dat was wel een kut-ervaring.” Eind 1971 knalde Q65 definitief met ruzie uit elkaar. “'t Was echt een dooie boel geworden. D'r werd niet meer aan muziek gewerkt. Niet meer geschreven. Je kon net zo goed een jukebox neerzetten.” Hij werd weer gewoon electricien. “Dat was wel een hele overstap. Om zeven uur je nest uit, daarvoor was je blij als je d'r tegen die tijd in lag.” Nu is hij 'rayonmanager' bij een schoonmaakbedrijf en hij speelt weer. “We heten nu gewoon de Q. Dus zonder 65. Ik speel met hele jonge gasten van begin twintig. Dat gaat onwijs lekker. Je merkt toch wel een klasseverschil. Die gasten kunnen gewoon spelen. Er is heel veel talent in Nederland. Waar het aan ontbreekt zijn de podia. 't Is tegenwoordig eerst een plaat maken en dan de buhne op. Vroeger was dat omgekeerd.” Van zijn nieuwe groep komt in augustus een CD uit. Daar staat geen oud nummer op. “Ik hou niet zo van die revivals. Je moet oppassen dat je niet in die ouwe shit blijft rondhangen. Dat is niks, joh. Wel het soort muziek, die harde rock, weet je wel. Daar is de tijd wel weer rijp voor, maar niet die ouwe shit.” Waar de naam Q65 vandaan kwam weet Wim Bieler niet meer. “Die had Roelofs ineens verzonnen. Dat 65 kwam natuurlijk doordat we in 1965 begonnen zijn. Dat was wel een goed idee. Want dat D66 dat van ons gepikt heeft weet ik wel zeker.”