Hoe realistisch zijn Renaissance-portretten?; Een wilskrachtige kaak met een twijfeloog

Lorne Campbell: Renaissance Portraits. Renaissance Portrait-Painting in the 14th 15th and 16th Centunes. Uitg. Yale University Press, .. blz. Prijs f 127,40.

De fotografie heeft de mens goedgelovig gemaakt. De fotografie heeft het onderscheid tussen afbeelding en verbeelding weggevaagd. Daarom zijn we geneigd om realistische schilderijen op te vatten als afbeeldingen van de werkelijkheid, terwijl het toch om niets anders gaat dan om ensceneringen, waarvan hooguit de afzonderlijke onderdelen nauwkeurige afbeeldingen zijn van reele zaken: het is fictie. Als die schilderijen al eeuwen oud zijn, ontbreekt ons bovendien de controlemogelijkheid. Een enkele keer in een landschap of een stadsgezicht zijn de ingredienten te identificeren. Hier stroomt de waterval van dorpje A, daar staat de boerderij van dorp B, en de torenspits in de verte mag dan wel van stad C zijn, vanuit het gesuggereerde standpunt van de schilder was dat onmogelijk te zien. Hetzelfde geldt voor bloemstillevens waarvan bekend is dat er bloemen op staan die nooit tegelijkertijd hebben kunnen bloeien.

Met veel krachtsinspanning kan men zijn fotografisch vooroordeel wegdrukken. De meeste moeite kost dat bij realistisch aandoende individuele portretten. Hoe vaak, nodigen die niet uit om direct het gesprek maar te openen?

Hoe komt het dat portretten zo'n etoverende uitwerking hebben. Een hoofdoorzaak is, denk ik, dat de schilder met de onderdelen van een hoofd maar beperkt kan manoeuvreren. Wat met een landschap, een stilleven, een boerentaereel wel mogelijk is, kan bij een hoofd niet. Met oren en neuzen valt niet straffeloos te schuiven, althans niet voor de twintigste eeuw. Zou dat wel gebeuren dan krijgen we een karikatuur en vervalt het idee van een werkelijkheidgetrouwe weergave van een individu. De schilder is dus beperkt in de compositle van het hoofd. De stand kan gevarleerd worden de onderdelen niet.

Over dit soort problemen gaat het moole, uitvoerige boek Renaissance Portraits van Lorne Campbell Campbell werkt aan het Courtauld Institute in Londen. Tegelijkertijd is hij, opgevoed in een milieu van schilders, een man van de praktiJk. Zijn boek is zakelijk en systematisch, wars van gevoelsargumenten en gebaseerd op een enorm bronnenreservoir van brieven, contracten, schildersbiografieen en verhandelingen over schilderkunst. Het boek bevat 267 portretten, die goed gereproduceerd zijn, maar in een niet al te gelukkige lay-out wel erg ver van de hoofdtekst staan. Men moet dus veel bladeren. Er staan hoofdstukken in over portrettypes, houdingen, entourage en attributen, over de schilders en de geportretteerden zelf, over de functie van portretten en over de verschillen tussen de ltaliaanse schilders en die uit de noordelijke landen. In het laatste hoofdstuk laat Campbell zich even gaan als hij de veel expressievere traditie van het noorden afzet tegen de portretschilders van het zuiden, waar een klassiek ideaal de norm was. Campbell doet een onverbloemd pleidooi voor de hofschilder Antonie Mor, die in de zestiende eeuw alle Europese vorsten voor zijn ezel heeft gehad en die altijd in de schaduw heeft gestaan van zijn tijdgenoot Titiaan.

Praktisch

Campbells keuze is noodgedwongen selectief. Er is enorm veel verloren gegaan en van wat bewaard is, hebben portretten van koningen, keizers, generaals, pausen en kardinalen de overhand. De meeste daarvan stammen uit de zestiende eeuw. De nadruk ligt op Italie, Frankrijk en Engeland. Duitsland en de Nederlanden hebben volgens mij minder aandacht gekregen dan mogelijk was geweest.

Campbells praktische benadering - hij kruipt in feite in de huid van de schilder - en de enorme hoeveelheid bronnenmateriaal garanderen vele onverwachte blikken in het schildersatelier. Men leest over de moeilijkheden die schilders ondervonden. Opdrachtgevers die geen tijd hadden om rustig te poseren, spartelende baby's, onrustige kinderen, verveelde prinsessen, koninginnen die alleen maar buiten geportretteerd wilden worden, wat allerlei praktische problemen gaf. En wat moest Holbein doen toen hij weer eens een door Hendrik Vlll op politieke gronden uitverkoren prinses moest portretteren? Ze was lelijk, maar kon hij dat onder haar ogen laten uitkomen? Wanneer hij een geflatteerd portret zou neerzetten was zij wel tevreden, maar zou Hendrik Vlll teleurgesteld zijn.

De twijfel over de betrouwbaarheid van portretten neemt bij het lezen van dit boek toe. Vele portretten zijn kopieen, of kopieen van kopieen, of daar weer kopieen van. Veel schilderijen zijn later bijgewerkt, er zijn portretten gebaseerd op niets dan mondelinge omschrijvingen, andere portretten zijn van doden gemaakt of uit het geheugen lang na het overlijden. Er zijn natuurlijk ook schilders die het gewoon niet konden en anderen die het met tegenzin deden omdat het genre in de kunsttheorie laag aangeschreven stond. En dan hebben we de bewuste vertekeningen. En vooral hier komt Capmbells technisch inzicht van pas. Hij geeft voorbeelden van genuanceerde manipulaties, vertekeningen op microniveau, maar met verstrekkende gevolgen. Geportretteerden krijgen een grotere expressiviteit of worden geidealiseerd. De lichtval, het laten doorschemeren van de botstructuur onder de huid, een iets opgetrokken wenkbrauw, een meer of minder geloken ooglid, een harde of een zachte lijn van neus naar mondhoek, de afstand van oor naar oog, daarin lag de vrijheid van de portretschilder.

Het gelaat heeft toch meer overeenkomsten met een verzonnen landschap dan men denkt. De beste portretten vertonen geen eenduidig karakter, maar hebben iets bewegelijks, iets dubbelzinnigs en daardoor iets mysterieus. Elk van de onderdelen van het hoofd drukt iets anders uit: een strenge mondhoek wordt gecombineerd met een norse wenkbrauw, een bitse mond met een vrome blik, een wilskrachtige kaak met een twijfeloog.

Er zijn zowel uitspraken bewaard gebleven over de verbluffende gelijkenis tussen portret en geportretteerde, als over het tegendeel. Gerustgesteld worden we pas als een portret niet alleen van een overrompelende levendigheid is, maar ook een tijdgenoot, die de geportretteerde heeft gekend, ervan zegt: ja, dit is hem, alleen de spraak ontbreekt. Maar ook dat is een frase geworden.