Geld moet rollen, zaad moet vloeien; Dertiende-eeuwse Roman de La Rose vertaald

Guillaume de Lorris-Jean de Meung: De roman van de roos. Vertaling: Ernst van Altena. Uitg. Ambo, 594 blz. Prijs (f) 95,-.

In het dertiende-eeuwse Franse boek Roman van de roos komen bijna uitsluitend allegorische personages voor: Liefde, Vriend, Natuur, Rede enzovoort. Ze leggen de minnaar in sierlijke taal uit hoe hij zijn geliefde moet veroveren. Zo nu en dan klinkt door hun woorden echter een akkoord dat volstrekt uit de toon valt. Zo zegt Rede in een uiteenzetting over Liefde en Gerechtigheid opeens: “Toen hier Rechtvaardigheid floreerde- omdat Saturnus nog regeerde,- sneed Jupiter, zijn eigen zoon,- zijn kloten af, als worst gewoon”. Mijn oren klapperden. Ook de verteller gelooft niet wat hij hoort. Zeg, zeg, kan het niet wat netter? onderbreekt hij Rede. Dat zijn woorden voor meiden van de straat, niet voor dames van stand! Maar Rede wijst hem scherp terecht. Zij vindt de drieletterwoorden, die ze nog een paar keer genietend over haar tong laat gaan, juist luisterrijk, omdat ze de instrumenten aanduiden van de heilige voortplanting. Bovendien moeten de dingen bij hun naam worden genoemd, anders weet niemand waar je het over hebt. De dingen mogen niet 'verbloemd' worden, een in dit verband wel heel frappante metafoor, omdat de roman tenslotte gaat over een Roos die geen roos is. De discussie tussen Rede en de verteller draait om een cruciaal punt. Het volkse taalgebruik en thema's die aan de dagelijkse werkelijkheid herinneren, horen volgens de klassieke voorschriften niet thuis in werken met een verheven strekking. In de Roman van de roos gebeurt dat toch. Het aardige is nu dat die inbreuk op de literaire voorschriften zich in de roman zelf voltrekt. Het tweede, zeer uitgebreide deel dat rond 1270 werd geschreven door Jean de Meung, wijkt namelijk aanzienlijk af van het eerste deel dat veertig jaar daarvoor werd gemaakt door Guillaume de Lorris. Dat eerste deel is een pure allegorie. De schrijver wordt in zijn droom bezocht door Liefde die hem aanspoort erop uit te trekken. Na enig zwerven stuit hij op een tuin die door een hoge muur wordt omgeven. Daarop zijn allerlei afschrikwekkende gedaanten geschilderd: Haat, Ouderdom, Armoede, Onbehoorlijkheid en dergelijke. Gelukkig is er een poortje dat bewaakt wordt door Vrouwe Ledigheid. Zij laat hem binnen en brengt hem in contact met Heer Vermaak, de baas van het spul. Ze voegen zich bij een gezelschap dat aan het dansen is. Jeugd doet mee, samen met Schoonheid, Hoffelijkheid, Gulheid en Rijkdom. Amor is er ook. Hij heeft twee bogen bij zich met twee soorten pijlen, een met gouden punten (Eenvoud, Schoonheid, Oprechtheid) en een met ijzeren (Schaamte, Wanhoop, Verraad). Dan komt de minnaar bij een fontein waarin de tuin weerspiegeld wordt. Hij ziet een rosarium met prachtige rozen. Zijn blik blijft rusten op een rozeknop waar hij helemaal weg van is. Het vervolg van zijn tocht wordt bepaald door het zoeken naar die knop. Zachte Gedachte, Zachte Blik en Lieflijk Woord helpen hem, maar in de struiken ligt Gevaar op de loer, een geduchte boerenkinkel die hem het leven zuur maakt. Vriend helpt hem en zorgt er zelfs voor dat hij rozeknop een vluchtige kus kan geven, maar dan komen Schaamte, Afgunst en Kwadetong in het geweer. Afgunst trekt rond het rosarium een kasteel op en de minnaar wordt buitengesloten. Hoofs Ik had moeite om mijn gedachten erbij te houden. De figuren komen niet uit de verf; het blijven ijle abstracties zonder vlees op de botten. Bovendien wisselen ze onderling nogal eens van positie. Verraad is een beeld op de muur, maar ook een ijzeren pijl; Schoonheid danst mee in de vierensprong en treft de minnaar later als gouden pijl; Rondborstigheid is een gouden pijl die de minnaar later te hulp schiet als personage. Ook de ruimte biedt geen houvast, ze blijft even onwezenlijk als de figuren die er hun ijle feestje vieren. De allegorie van Lorris is nauw verweven met de denkwereld van de Franse aristocraten uit het begin van de dertiende eeuw. Die was niet zo verfijnd als de allegorie suggereert. Georges Duby, de Franse mediaevist, wijst er in zijn boek Male Moyen Age op dat de meeste adellijke mannen noodgedwongen vrijgezel waren. Alleen de oudste zoon mocht trouwen en zich vestigen. De jongeren hadden het nakijken en moesten proberen zich te kwalificeren voor de buitenkansjes (dood van een vazal) waardoor hen alsnog werd toegestaan te trouwen en zo de status van 'seigneur' te verwerven. De hoofse cultuur had dus eerder te maken met het verlangen zich als Heer te vestigen dan met de verering van vrouwen. Duby wijst er verder op dat de adel zich aan de hoofse cultuur kon wijden, omdat ze een boerenbevolking exploiteerde die in erbarmelijke omstandigheden leefde. De tuin is vooral een muur die de elegante wereld van de adel scheidt van de ellende daarbuiten. Dat werpt een bijzonder licht op de beelden die ter afschrikking op de buitenmuur zijn geschilderd: Armoede, Ouderdom en Lompheid (het 'Vilenie' in de Franse tekst, betekent letterlijk boersheid). Ook valt op dat Gevaar beschreven wordt als een 'vilain' (boerenkinkel) en dat de minnaar, eenmaal buiten de muur gezet, zijn toestand vergelijkt met die van een boer. De toch al bloedeloze tuin krijgt in dat perspectief iets sinisters. Het zal duidelijk zijn dat mijn voorkeur niet uitgaat naar het eerste deel. Mijn oren beginnen pas te gloeien als De Meung in deel twee de draad opneemt en de schimmen van Lorris ontwikkelt tot figuren van vlees en bloed. Het bijzondere van De Meung is dat hij het oorspronkelijke kader niet verloochent. De figuren blijven voor een deel de Rede, Vriend en Natuur die we al kenden, maar daaraan voegt De Meung andere, minder verheven stemmen toe. Vriend spreekt niet alleen de sublieme taal uit deel een, hij geeft ook de cynische raad om te liegen als dat de minnaar uitkomt en hij rapporteert het kleurrijke betoog van de Jaloerse Man die waarschuwt voor de hebzucht van de vrouw: “als de vrouw een beurs vol schijven- ziet dagen en ook in kan lijven,- dan grijpt ze die met beide klauwen,- want zo zijn hedendaags de vrouwen.” Even verderop geeft Goed Onthaal in zijn betoog het woord aan de Oude Vrouw die omstandig (veertig bladzijden lang) uitlegt hoe vrouwen hun echtgenoten, vrienden of minnaars te grazen kunnen nemen (haar betoog vormt de tegenhanger van dat van de Jaloerse Man): “als hij soms in zijn passeren- je graag met goud en goed wil eren,- neem dat dan aan, stop 't in je kluis- en bied hem daarvoor in je huis- vluchtig genot, dan wel zeer vurig,- alleen zijn geld beklijft langdurig.” Seksueel gedrag en economisch verkeer worden in die tirades nauw met elkaar geassocieerd: de dubbele betekenis van de mannelijke beurs met schijven en de vrouwelijke kluis behoeft nauwelijks commentaar. Hieraan ligt een gemeenschappelijk principe ten grondslag dat je met een term uit de eigentijdse filosofie 'disseminatie' of misschien nog beter 'depense' zou kunnen noemen. Geld moet rollen, zaad moet vloeien, dat is de boodschap die De Meung in eerste instantie richt tot de man. Wee degene die geld oppot of Onthouding beoefent. Het is in dat verband niet vreemd dat De Meung castratie beschrijft als het ergste dat een man kan overkomen. De afschrikwekkende anekdoten over schaar en mes komen in zijn roman echter zo vaak terug, dat ik hem ervan verdenk door dat schrikbeeld zelf geobsedeerd te zijn. Nu eens heeft hij het over de wraak van Jupiter op Saturnus, dan weer over de zelfcastratie van de theoloog Originas (derde eeuw), dan weer over het tragische lot van de theoloog Abelard (elfde eeuw) die ontmand wordt omdat hij een relatie krijgt met zijn leerlinge Helose. Dat laatste verhaal is bekend geworden dankzij een vertaling van Jean de Meung. Volgens sommigen is het aan zijn fantasie ontsproten. Ronken Het is ook frappant dat Vrouwe Natuur wordt gepresenteerd als een smid die nieuwe generaties als munten uit de gietvorm klopt. Die metafoor geeft Natuur niet alleen een concreet, bijna alledaags voorkomen, maar situeert haar ook in de maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd. Frankrijk was in de tijd van Lorris een uitsluitend agrarische natie, maar rond het midden van de dertiende eeuw begon ze zich voorzichtig te ontwikkelen in de richting van een markteconomie. In de tijd dat De Meung schreef werden verbindingen verbeterd en uitgebreid ten behoeve van de handel, de eerste banken werden gesticht en het geld, waarvan de aanmaak een tijd had stilgelegen, werd opnieuw geproduceerd en in omloop gebracht. Het tweede deel bevat veel praktische wenken voor de minnaar (minnares) in spe. De oude vrouw leert meisjes hoe ze zich moeten kleden als ze de straat op gaan, hoe ze afspraakjes moeten arrangeren met hun minnaar, hoe ze hem moeten ontvangen in haar huis (als er vlekken op je huid zitten, zorg er dan voor dat de luiken gesloten zijn en er geen daglicht binnendringt, zo voorkom je dat je minnaar er vandoor gaat en je eenzaam tussen de lakens achterlaat). In die passages maakt de onwezenlijke allegorische tuin plaats voor de ruimte van de stad. Het rumoer van de straat klinkt door. Straten, huizen en vooral slaapkamers worden zichtbaar. Flarden Decamerone en Canterbury Tales waaien door de regels. Op die momenten loopt de roman als een trein. Op die momenten ronkt ook de vertaling van Ernst van Altena. Het vertalen van een zo moeilijke tekst is op zichzelf al een uitzonderlijke prestatie. Maar een vertaling op rijm (Van Altena houdt zich aan de poetische vorm van de oorspronkelijke tekst: jambische achtvoeters die paarsgewijs rijmen) die zo soepel en schijnbaar moeiteloos loopt en zoveel mooie oplossingen biedt voor lastige problemen, is een bewijs van groot meesterschap. Ik heb de indruk (maar ik kan me vergissen) dat Van Altena zich met enige verveling door het stuk van Lorris heeft gewerkt. Hij, de vertaler van Villon en kenner bij uitstek van het bargoense Frans, trappelt van ongeduld (zo stel ik me voor) om aan de sappige verzen van De Meung te beginnnen. Soms kan hij het niet laten om wat peper en zout te strooien over de flauwe verzen van Lorris: “wie men in een donkere kerker zet- tussen ongedierte en drek- en wie geen gierste- of haverbrood heeft- sterft toch niet aan dat leed” wordt bij hem: “Wie zucht in duistere petoet- bij drek en stront, luizegebroed,- op droog gierste- of haverbrood,- gaat aan die kommer zelfs niet dood.” En waar Lorris schrijft dat de rozeknop zo aantrekkelijk is omdat ze “nog nauwelijks open” is, meldt hij met een schalkse knipoog dat ze 'kiert'. Het tweede deel bevat prachtige staaltjes poezie. Neem alleen de paginalange omschrijving die Rede geeft van de liefde als een onuitputtelijke bron van tegenstrijdigheden: “een paradijs dat niemand goed brengt,- een cel die gevangenen moed schenkt.- Een lente vol van winterkou,- een zomerlucht, maar zonder blauw.” Adeldom De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ook het tweede deel van de roman niet altijd even smeug is. De Meung was een didacticus die zijn publiek een aantrekkelijk overzicht van de eigentijdse kennis wilde bieden. Hij wijdt een aanzienlijk deel van zijn boek aan beschouwingen over middeleeuwse kosmologie, aan het toendertijd hete hangijzer van de bedelordes (het probleem dat ook de achtergrond vormt van Eco's Naam van de roos) en aan mythologische en historische wetenswaardigheden. Voor de historicus en mediaevist een onschatbare bron van informatie over de intellectuele wereld van de dertiende eeuw; voor de belangstellende leek niet altijd even spannend. Het zou, alle realistische passages ten spijt, ook onjuist zijn om De Meung af te schilderen als een revolutionair die op de barricades stond voor het volk. De Meung was een klerk. Hij verdiende zijn brood (en goed) door te schrijven voor vorsten en edellieden, die zich in de loop van de dertiende eeuw voor cultuur en wetenschap begonnen te interesseren. Hij was een intellectueel met een groot gevoel van eigenwaarde. Aan het eind van zijn roman houdt hij zijn gehoor voor dat vorsten en edelen hun macht danken aan de toevallige omstandigheid van hun geboorte. Dat maakt ze nog niet tot aristocraten. Echte adeldom bezitten alleen degenen die zich cultuur hebben eigen gemaakt. De Meung schrikt er niet voor terug om koningen bij wie cultuur nu eenmaal ver te zoeken is, dom te noemen. Hij waagt het zelfs om te verzekeren dat “Veel meer dan vorsten toch zijn klerken- geschikt voor nobele, wijze werken.” Wat een lef heeft de man die dat durft te schrijven!