De bouwdrift van grollende mensen; Sprookjes van Geert van Istendael

Geert van Istendael: Verhalen van het Heggeland. Uitg. De Arbeiderspers, 195 blz. Prijs: (f) 34,90.

Geert van Istendael is zo langzamerhand wel te beschouwen als het geweten van Belgie. Nu eens in de rol van scherprechter, dan weer als beschermheer. Hij doet graag een beroep op het nationale bewustzijn van zijn lezers en trouwens ook op het internationale bewustzijn van weer andere lezers. Lering en vermaak, dat valt er te trekken uit het werk van Van Istendael, of hij nu gedichten, essays of, zoals nu, een verhaal schrijft. Steeds laat hij zich inspireren door Belgische kwesties. Zo bedichtte hij in mooie, verhalende reeksen de Belgische kunstenaar James Ensor, de stad Brussel en het gebiedje rond het dorp Eupen waar hij wel eens aan wintersport doet. Een hele bundel wijdde hij aan de negenentwintig iguanodons van Bernissart, waarvan de skeletten in 1878 werden gevonden. Hij beschreef de vondst en het vervoer van de dinosaurus-beenderen, en het wetenschappelijk onderzoek ervan, maar hij was zich maar al te zeer bewust van de ongrijpbaarheid van deze prehistorische kolossen. “Hoe gaat zo'n beest nou dood? Van ouderdom?”, vroeg hij zich in een van de gedichten af. Het is typerend voor Van Istendael, zo'n vraag naar het onbekende, waarop hij dan vervolgens zelf maar een antwoord verzint. Hij houdt van bespiegelen, maar ook van kordate antwoorden, hij houdt van zoeken, maar ook van het vinden van oplossingen, ook al kloppen ze misschien niet helemaal. In het beschrijven en doorhakken van knopen, daarin moet ook de aantrekkingskracht van zijn lijvige beschouwing over Belgie liggen, die in 1989 verscheen. Want het zal wel niet alleen met zijn bekendheid als BRT-nieuwslezer te maken hebben dat Het Belgisch labyrint in korte tijd zeven herdrukken beleefde. In dit boek staat wel zo ongeveer alles bij elkaar wat je over Belgie zou willen weten. Maar misschien is het beter om te zeggen dat er niets in staat dat je net zou willen weten over Belgie. Deze schriftelijke cursus Belgie, want daar doet het mij nog het meest aan denken, is een wonder van helderheid, ondanks of misschien juist wel dank zij de dubbelzinnige houding van Van Istendael tegenover zijn ingewikkelde onderwerp. In zijn voorwoord geeft hij onomwonden blijk van zijn haat-liefde verhouding tot zijn vaderland. “Ik bemin Belgie om zijn kleine corruptie, zijn regelingetjes, zijn plantrekkerij, het omzeilen van wetten, het profiteren van al wat macht heeft. Ik haat Belgie, omdat je er niets kunt regelen zonder vriendendiensten, omdat alles er krom gentrigeerd en met de mantel der macht bedekt wordt.” Een hoofdstuk apart, 'De schoonheid der wanstaltigheid' getiteld, vormt zijn ergernis over de ruimtelijke orde, die door bouwlustige landgenoten langzaam maar zeker in wanorde is herschapen. Tot voor kort werd die spreekwoordelijke bouwlust ('De Belg heeft een baksteen in zijn maag') door geen bouwverordening of schoonheidscommissie getemperd. Die wanorde heeft een mooie kant - ieder zelfgebouwd huis, ieder hek, ieder schuurtje in Belgie is immers uniek - maar vormt ook een aanslag op het landschap. Vooral de Vlamingen zijn volgens Van Istendael al een eind gevorderd met het dichtmetselen van het platteland. Ook in zijn nieuwe boek, Verhalen van het Heggeland, toont hij zich van zijn geengageerde zijde. Hij baseerde zich voor deze sprookjesachtige geschiedenis op oude legenden en volksverhalen uit zijn geboortestreek, de provincie Brabant. Hij moderniseerde die legenden en bracht ze onder in een nog behoorlijk duizelingwekkend arrangement, waarin verschillende verhalen links en rechts in elkaar grijpen. Het klinkt misschien erg stichtelijk als ik zeg dat Van Istendael in dit sprookje opkomt voor het goede in de mens en voor het behoud van een min of meer natuurlijk landschap. De nuchtere toon, de korte, levendige zinnen en de komische overgangen en verwikkelingen zorgen er gelukkig voor dat het verhaal niet te zoetsappig wordt. Van Istendael schreef deze Verhalen van het Heggeland voor kinderen, in de eerste plaats voor zijn eigen kinderen, maar een volwassene hoeft zich er niet te groot voor te voelen. Wie houdt van sprekende geraamtes, een spookkasteel, een ouderwets wrede kasteelheer, oude wijze vrouwen en handige aardmannetjes die in dasseburchten wonen, die kan hier zijn hart ophalen. Mijn favoriet is Hete Huzzel, een ventje met een bruin, gerimpeld gezichtje en glinsterende oogjes die kan toveren en in noodgevallen de helpende hand biedt. Hij sist woorden als 'heihus', 'wichtel' en 'herwis'. Hij zou een vriend van Olivier B. Bommel kunnen zijn. De onbetwiste helden van het verhaal zijn twee kinderen: het weesmeisje Helleke en het manke jongetje Ralis. Zij mogen na veel avontuurlijke omzwervingen en ontberingen zegevieren over kortzichtige, egostische, schraapzuchtige, domme en bovenal onaardige volwassenen. Het meest leerzaam en vermakelijk zijn de passages waarin de verwoestende bouwdrift van die volwassenen wordt beschreven, die hen ongeschikt maakt voor het dagelijkse leven. “Koeien stonden in de avondschemering wanhopig te loeien omdat hun uier barstte van de melk en omdat het melkmeisje wegbleef. Dat moest stenen bakken. In de weide verschenen schaapskooien die drie keer te groot waren voor een gewone kudde. - De mensen wasten zich niet meer, iedereen schold iedereen uit. Ze grolden de godganse dag en ze kwamen alleen nog naar buiten om stenen, mortel, hout of spijkers te zoeken.” Door het hele verhaal heen doemen er steeds weer torens, kastelen, rare bouwsels, uitstulpende huizen en afrasteringen op, bakens van menselijke territoriumdrift. Het moet Van Istendael dan ook veel plezier hebben gedaan om in dit sprookje kastelen tot runes te laten vervallen, torens in te laten storten en zelfs een hele stad met bestuurders en al in een meer te laten verzinken.

Naar Anita overhellend zei ze: 'Hij had het mesje al uit de houder gehaald. Hij wilde net beginnen.'