Biesbosch krijgt wellicht eb en vloed terug

ROTTERDAM, 28 JUNI. De kans bestaat dat in Haringvliet, Hollands Diep en Biesbosch oude tijden gaan herleven; de tijden van voor 1970, toen er een aanmerkelijk verschil bestond tussen eb en vloed. Nu bedraagt dat tijverschil slechts enkele decimeters, een gevolg van de afsluiting van het Haringvliet tussen Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee als onderdeel van de Deltawerken. Er zijn plannen in de maak om de spuisluizen in de Haringvlietdam veel vaker open te zetten dan nu het geval is, waardoor het zeewater onder normale omstandigheden vrijwel onbelemmerd kan binnenstromen.

De beoogde verandering - in feite een lokale herziening van de Deltawerken - is aangekondigd in de Derde Nota Waterhuishouding, afkomstig uit de burelen van Rijkswaterstaat. Ze is uitgewerkt in een zogenoemd integraal beleidsplan voor Haringvliet, Hollands Diep en Biesbosch. Dit plan is nu voorwerp van overleg tussen alle betrokken overheidsinstellingen: diverse rijksdiensten, twee provincies (Zuid-Holland en Noord-Brabant) en een reeks gemeenten en waterschappen. De bestuurders hebben keus uit vijf mogelijkheden, varierend van handhaving van het bestaande regime tot een toestand waarbij het tijverschil circa anderhalve meter bedraagt. Dat zou slechts een halve meter minder zijn dan vroeger. In de jaren zestig, toen de Haringvlietdam met bijbehorende uitwateringssluizen werd ontworpen, gold een andere belangenafweging dan nu, zegt drs. J.W.M. Kuijpers, hoofd planvorming water bij de directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat. De veiligheid van de bewoners stond voorop (dat blijft trouwens zo) en daarop volgden het belang van de zoetwatervoorziening voor landbouw en particulier en dat van de scheepvaart. “Maar intussen”, aldus Kuijpers, “zijn de belangen van natuur en milieu, van visserij en recreatie veel zwaarder gaan wegen en die moeten dus beter tot hun recht komen.” Dat zou kunnen door de spuisluizen vaker en eventueel permanent te openen, zodat zout zeewater royaal kan binnendringen. Dus ongeveer als bij de stormvloedkering in de Oosterschelde, die alleen bij extreem hoog water dicht gaat. Op het ogenblik dienen de sluizen in de Haringvlietdam om overtollig rivierwater op zee te lozen. Ze gaan open zodra de Rijn bij Lobith meer dan 1.700 kubieke meter per seconde afvoert. De opening wordt groter naarmate er meer rivierwater afkomt. Mocht het plan volgens een soort gemiddelde variant doorgaan, dan zou in het bijzonder de Biesbosch - nationaal park in oprichting - daarvan kunnen profiteren. Eind 1970 beleefde dit natuurgebied vol killen en kreken een ernstige 'milieuschok', toen door de afsluiting van het Haringvliet het tijverschil van circa twee meter terugviel naar dertig centimeter. Een soortgelijke schok, maar dan minder hevig en in omgekeerde richting, valt te verwachten als het tijverschil weer tot pakweg 75 centimeter of een meter zou oplopen. Drs. Kuijpers: “De Biesbosch zou dan zijn oorspronkelijke karakter van zoetwatergetijdendelta enigszins terugkrijgen. Geredeneerd vanuit het natuurbelang is dat een verbetering, een verrijking van de natuur.” Een niet te onderschatten probleem bij dit alles is de verregaande vervuiling van de waterbodem in zowel Biesbosch als Hollands Diep en Haringvliet. Op de bodem liggen miljoenen tonnen zwaar verontreinigd slib opgetast, grotendeels afkomstig van industriele lozingen langs Rijn en Maas. Het sediment dat hier bezonk, bevat vaak hoge concentraties aan zware metalen als kwik, cadmium, zink en arseen; organochloorverbindingen, waaronder de zeer giftige pcb's (polychloorbifenylen), en olie. Als de sluizen in de Haringvlietdam voluit open gaan, ontstaat een krachtige stroming, die een deel van het vuile slib loswoelt en afvoert naar zee. “En dat is niet de bedoeling”, zegt Kuijpers, “want dat zou in strijd zijn met ons Noordzeebeleid en de internationale afspraken die zijn gemaakt om de Noordzee te ontlasten.” Daarom zou de vervuilde bodem eerst gesaneerd dienen te worden en ook daarvoor zijn plannen in de maak. Er is sprake van een depot in het Hollands Diep voor de berging van tien tot dertig miljoen kubieke meter slib van de meest vervuilde categorieen. Zo'n depot zou de vorm van een eiland kunnen hebben, maar zich ook in de bodem van het Hollands Diep kunnen bevinden. Een besluit hierover is echter nog niet genomen; er zit bovendien een milieu-effectrapportage aan vast. Zo'n rapportage geldt trouwens evenzeer voor een herziening van het spuibeheer in de Haringvlietdam. Complicaties zijn er ook op het gebied van de zoetwatervoorziening. Royale openstelling van de sluizen zou neerkoming op verzilting van het westelijk deel van het Haringvliet en daar heeft in het bijzonder de agrarische wereld op Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee bezwaren tegen. Waar het brakke water ophoudt en het zoete begint, is afhankelijk van de variant die men kiest. Op West-Overflakkee is een innamepunt voor drinkwater ten behoeve van de Zeeuwen. Zij zouden eventueel op de spaarbekkens in de Biesbosch kunnen overschakelen. Verder landinwaarts, aan de noordkant van het Haringvliet, wordt oppervlaktewater ingenomen voor onder meer Voorne-Putten en de tuinders in het Westland, die hiervoor een speciale leiding onder de Nieuwe Waterweg lieten aanleggen. Bij de meest vergaande variant zou ook dit innamepunt, ter hoogte van Bernisse, niet langer zoet, maar brak water leveren. Volgens Kuijpers van Rijkswaterstaat is in de studie als uitgangspunt genomen dat bij verlies aan zoetwaterbronnen compenserende maatregelen worden getroffen. De kosten daarvan hangen weer nauw samen met de mate waarin de sluizen eventueel open gaan. Kuijpers: “Blijft het tijverschil beperkt tot zo'n zeventig centimeter, dan spreken we van pakweg honderd miljoen gulden aan compensatie dan wel schadevergoeding. Wordt het tijverschil anderhalve meter, dan praat je al gauw over een miljard gulden. Aan zo'n som moet je denken als bijvoorbeeld het Westland een alternatieve zoetwaterbron moet aanboren.” Mocht de Haringvlietdam inderdaad opengaan, dan verwacht Kuijpers daarvan een licht positief effect op de hoogwaterstand in de benedenrivieren, in het bijzonder de Rijn, die op den duur minder snel zou verzanden. “Maar dan praten we wel over vele decennia en een verschil van enkele centimeters tot ongeveer Zaltbommel. Nee, op de huidige discussie over het verzwaren van de rivierdijken zou die verandering geen invloed hebben.”