Aad du Croix Timmermans, hoofd van de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale: Er zijn meer Rembrandts gestolen dan geschilderd

De kunstafdeling van de Centrale Recherce Informatiedienst uit 4 man die zich vooral bezighouden met de registratie van gestolen kunstvoorwerpen. De Franse politie heeft een kunstafdeling van 400 man. “Zoiets heeft te maken met de cultuur van een land”, zegt Aad du Croix Timmermans, hoofd van de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale. “Nederlanders zijn minder met hun cultuur bezig dan Fransen of Engelsen”.

Het aantal kunst- en antiekdiefstallen in Europa stijgt nog jaarlijks. In 1989 werden in Europa 60.000 kunstwerken gestolen, schat de internationale politie-organisatie Interpol. Kunstdieven opereren vaak internationaal en de 'omzet' wereldwijd in dit circuit wordt alleen overtroffen door de drugshandel, vermoedt Interpol. Dat staat in het onlangs verschenen jaarverslag van het Nederlandse bureau van Interpol, de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), gevestigd in Den Haag. Naast speciale afdelingen voor onderzoek naar geweldsmisdrijven, drugshandel, fraude en computercriminaliteit heeft de CRI een speciale kunstafdeling, de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale (KAC). Die ondersteunt de Nederlandse politiekorpsen bij het oplossen van kunstdiefstallen. De centrale heeft geen uitvoerende bevoegdheden en houdt zich vooral bezig met het verzamelen en verspreiden van gegevens en informatie over gestolen kunst en kunstdieven. Of er nu een Rembrandt uit het Rijksmuseum gestolen wordt of een Friese staartklok bij de buren maakt de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale niets uit. Elk gestolen voorwerp wordt geregistreerd en onder de aandacht van de Nederlandse politiekorpsen gebracht. “Onze doelstelling is: het ondersteunen van de politie bij het opsporen van daders van strafbare feiten”, zegt Aad du Croix Timmermans (47), hoofd van de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale. “Ook gestolen schilderijtjes van vijftig gulden registreer ik, want die kunnen een aanwijzing zijn voor het opsporen van de dader. Om dezelfde reden is het ook niet belangrijk of het om vervalsingen gaat. Ik heb meer Rembrandts in mijn registratie staan dan Rembrandt geschilderd heeft.” Op de lijst van gestolen kunstvoorwerpen van de KAC van vorig jaar staan onder meer 1651 schilderijen en 208 grafische werken. Gemiddeld worden er dus vijf kunstwerken per dag gestolen. Verder vermeldt de lijst ondermeer 281 gestolen klokken en 272 partijen zilverwerk. Op de lijst staan ook de kunstvoorwerpen die in het buitenland gestolen zijn en door Interpol aangemeld zijn bij de KAC. “De kunstdieven hebben niet gewacht tot in 1992 de grenzen open gaan,” zegt Du Croix, “die werken al lang internationaal.” Omgekeerd geeft hij de in Nederland gestolen voorwerpen met een bijzondere culturele of artistieke waarde door aan het Secretariaat Generaal van Interpol. Sinds de oprichting in 1972 heeft de KAC zo'n 40.000 vermiste voorwerpen geregistreerd. Eigenlijk moeten alle kunstdiefstallen in Nederland door de politie aangemeld worden bij de KAC, maar dat gebeurt lang niet in alle gevallen. “Een probleem is natuurlijk de registratie. Als er geen foto of duidelijke beschrijving van een gestolen schilderij of kunstvoorwerp is, kunnen we er niets mee. Als iemand alleen maar melden kan dat er een schilderij met een landschap of een antieke klok gestolen is, houdt het voor ons op. Het is zinloos zoiets te registreren, dat is veel te vaag. Vaak vragen we dan of het gestolen werk misschien niet op de achtergrond op een foto in het familiealbum staat.” De KAC geeft maandelijks een bulletin uit met informatie over recent gestolen kunst in Nederland. Een blaadje vol fascinerende, soms zeer onscherpe foto's van klokken, zilverwerk en vele schilderijen en beelden die zijn gestolen. Twee voorbeelden uit het meest recente KAC-bulletin. Uit de tuin van het voormalige gemeentehuis van Wijdewormer is tussen 17 en 19 maart 1991 gestolen “een bronzen beeld van Jean-Baptiste de Winter, geb. 1929, voorstellende en getiteld 'De Roerdompen', hoogte ca. 90 cm.- Het beeld is van de bakstenen sokkel afgezaagd.” En: “Van de signalering, vermeld in ons bulletin no. 7-90, bericht no. 5 betreffende een inbraak in een woonboerderij-galerie te Esloo, zijn de volgende werken aangetroffen bij een aangehouden verdachte: 5 litho's van Bram van Velde; 3 litho's van Corneille; 2 litho's van Karel Appel; 3 zeefdrukken van Th. Wolvecamp; 1 litho van P. Alechinsky. De signalering van andere werken blijft nog van kracht.”

SPECIALISTEN

De KAC-medewerkers zijn experts, maar geen kunsthistorici. Du Croix: “Zo gespecialiseerd kunnen we niet zijn. Het ene moment hebben we te maken met een zeventiende-eeuwse houtsnede, het andere met een gestolen Appel of een idool van de Cycladen.” Om toch aan de benodigde informatie te komen onderhoudt Du Croix contacten met specialisten. Die zitten in de kunsthandel of bij het Rijksbureau voor kunsthistorische documentatie in Den Haag. “Of ik bel, zoals ik bij een gestolen Appel wel eens gedaan heb, de kunstenaar zelf voor meer informatie,” zegt Du Croix. Vooral een goede relatie met de kunsthandel is van groot belang bij het opsporen van gestolen kunst, beklemtoont Du Croix. “Het zijn mijn ogen en mijn oren.” Het bulletin met signalementen van gestolen kunst gaat dan ook niet alleen naar de politiekorpsen, maar ook naar de veilinghuizen en kunsthandelaren. “Daar zitten specialisten met een fenomenaal visueel geheugen. Ze zien iets in ons blad, en een jaar later krijg ik een telefoontje van een van hen die zegt: 'Ik sta hier op een beurs in Munchen, en daar wordt een schilderij aangeboden dat ik in je bulletin gezien heb.' ” Du Croix was niet onbekend met de veilingen en kunsthandelaren voor hij tien jaar geleden overstapte van de Bijzondere Zaken Centrale (terreurbestrijding) naar de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale. Hij liep tien maanden stage bij een veilinghuis en verzamelde voordien in zijn vrije tijd al antiek, “voor zover mijn ambtenarensalaris dat toeliet.” Rechter “Echte, gespecialiseerde kunstdieven heb je Nederland amper,” zegt Du Croix. “Het zijn in de meeste gevallen huis-tuin-en-keukendieven, die bij een inbraak meenemen wat ze denken zo snel mogelijk te kunnen verpatsen.” Recente berichten in het Duitse blad Der Spiegel als zou een Nederlandse kunstmafia de kunstschatten uit het voormalige Oostblok roven, verwijst hij naar het rijk der fabelen. In landen waar meer 'te halen valt', zoals Frankrijk en Engeland, is volgens Du Croix wel sprake van georganiseerde kunstmisdaad en zijn de speciale kunstpolitie-eenheden ook groter. Frankrijk heeft bij voorbeeld een speciaal kunstteam, bestaande uit vierhonderd man. Daar steekt de Kunst- en Antiekdiefstallen Centrale met vier man wat schriel bij af. “Zoiets heeft te maken met de cultuur van een land,” zegt Du Croix. “Nederlanders zijn minder met hun cultuur bezig dan Fransen of Engelsen. Dat wordt ook weerspiegeld in de aandacht in het politie-apparaat. Bij ons is het meer van: er is ingebroken, en o ja, er is ook nog een schilderij gestolen”. Nu het IJzeren Gordijn is verdwenen, krijgen Du Croix en zijn collega's in het buitenland steeds meer te maken met kunstwerken die in de Tweede Wereldoorlog verdwenen zijn uit musea en particuliere verzamelingen. Nu worden ze via de kunsthandel uit Oost-Europa weer in het Westen aangeboden. Dat was ook het geval met een schilderij van de zeventiende-eeuwse meester Jan van der Heyden (1637-1712), getiteld Het Bergklooster. Het werk werd vorig jaar door een Amsterdamse kunsthandel te koop aangeboden. De handelaar had het, naar eigen zeggen, van een Russische sporter gekocht. Du Croix kreeg een tip dat het om een schilderij ging dat voorkwam op de lijst van oude meesters die sinds de oorlog uit het Duitse museum de Dresdner Gemaldegalerie werden vermist. Het schilderij is, zoals veel kunst uit Duitsland, waarschijnlijk door de Russen als krijgsbuit meegenomen. Du Croix adviseerde beslag te laten leggen op het werk, dat nu sinds vorig jaar juni in een kluis van een veilinghuis ligt. “De rechter moet nu beslissen wat er met het schilderij gebeuren moet. Kunsthistorisch gezien hoort het in het Dresdner museum. Maar het werk zo maar teruggeven kan niet, want het is 46 jaar geleden gestolen. Diefstal verjaart na twaalf jaar, en binnen dertig jaar kan de eigenaar nog rechten laten gelden. Die termijnen zijn verstreken. We zitten met een vacuum in onze wetgeving wat dit betreft. Daarom is het de rechter voorgelegd. Zelf vind ik niet dat een gestolen schilderij ineens na zoveel jaar vrij verhandelbaar mag zijn. Het wordt een soort testcase, want er duikt nu natuurlijk meer van die oorlogsbuitkunst op uit Oost-Europa. Alle musea die wat missen wachten gespannen op de uitspraak van de rechter. Het is natuurlijk ook een politieke kwestie: Nederland hoopt ook nog kunst uit Oost-Europa terug te krijgen die daar in de oorlog terecht is gekomen.” Du Croix doelt op de collectie Koenigs. De Rijksdienst Beeldende Kunst onderhandelt nu met de Russen over teruggave ervan, omdat men vermoedt dat de tekeningen van oude meesters in geheime Russische depots liggen.

SMELTPOT

Zo'n vijf tot tien procent van de kunstroven wordt opgelost. “Als we iets niet binnen drie maanden terug hebben, is het in het algemeen voor zo'n vijftien tot twintig jaar verdwenen. Dan is het doorverkocht en hangt het ergens boven de schoorsteen. Tot het weer bij een boedelverdeling boven water komt,” zegt Du Croix Timmermans. En bij sommige partijen zilverwerk is het nog de vraag of ze ooit nog boven water komen: die zijn misschien al lang in de smeltpot gegooid. Stemt zo'n laag percentage van opgeloste diefstallen hem niet moedeloos? Du Croix vindt beslist van niet. Af en toe worden er zaken opgelost, die het meer dan de moeite waard maken door te gaan. “Anderhalf jaar geleden werd ik gebeld door een Belgische collega. Die hadden bij een heler een schilderij van Jozef Israels aangetroffen. En dat was in Nederland gestolen, vertelde de heler. Waar precies wist hij niet, maar het was zeker afkomstig uit het restauratie-atelier van een Nederlands museum. Mijn collega beschreef het schilderij. Ik kon het niet in onze registratie vinden, maar mijn Belgische collega hield vol dat het uit Nederland kwam. Samen met het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie heb ik een lijstje samengesteld van museum waaruit het gestolen zou kunnen zijn. Toen begon ik alle musea af te rijden, te beginnen in Amsterdam. Bij het Stedelijk Museum vroeg ik of ik het schilderij Kinderen op het strand mocht zien, dat voldeed aan de beschrijving. Ik zei er niet bij waarvoor. Ze hadden het wel in depot, zeiden ze, maar het was wel een heel gedoe om het te voorschijn te halen. Toch maar doen, zei ik. Na een half uur kwam het telefoontje dat het schilderij niet te vinden was. Wilt u het als vermist laten registreren?, vroeg ik. Toen dat klaar was, kon ik ze meteen vertellen dat het doek teruggevonden was. Zo is door recherchewerk een schilderij ter waarde van zo'n drieenhalve ton teruggekomen in het Stedelijk waar het nog niet eens vermist werd. Dan denk ik toch: ik doe het niet voor niets.”