Uitdunning visstand in randmeer Wolderwijd heeft succes

Volgens de eerste berichten zijn de experimenten om het Wolderwijd weer helderte maken zeer succesvol verlopen. Eind mei werd zelfs een doorzicht gemeten van 1,75 meter. Dat meldt het Rijksinstituut voor Zuivering van Afvalwater (RIZA) in Lelystad.

Afgelopen winter is uit het 2700 hectare grote Veluwe-Randmeer meer dan 400.000 kilo witvis, voornamelijk brasem, blankvoorn en pos, weggevangen. Deze vissen maken het water troebel, want ze wroeten de bodem om op zoek naar muggelarven. Bovendien leven ze van watervlooien en ook dat pakt ongunstig uit, want watervlooien zijn in de troebele Randmeren juist hard nodig om de vele algen weg te eten. Na het wegvissen is nu naar schatting nog 50.000 tot 150.000 kilo witvis overgebleven in het meer, ofwel een dichtheid van 20 tot 60 kilo per hectare. Uit onderzoek in proefvijvers was gebleken dat de witvisstand niet hoger zou moeten worden dan 30 tot 50 kilo per hectare. Om daarvoor te zorgen zijn roofvissen nodig. In mei en juni van dit jaar is ongeveer een half miljoen snoekjes van 3 tot 5 centimeter groot uitgezet langs de oevers en tussen de waterplanten. Verder is het meer in de wintermaanden doorgespoeld met voedselarm water uit de Flevopolder. Een gunstige omstandigheid was, dat de Randmeren afgelopen februari bedekt waren met ijs. Onder het ijs zijn de algen afgestorven en bezonken, ook het slib bezonk onder het ijsdek. Het fosfaatgehalte in het water daalde hierdoor met meer dan de helft. Door het koude voorjaar kwamen de grote watervlooien pas laat op gang, maar eenmaal present slaagden ze er prima in om de algengroei terug te dringen en het water helderder te maken. Bovendien bevat het water minder zwevend slib dan vroeger. Voor de ingreep bedroeg het doorzicht 0,2 tot 0,4 meter, eind mei was het 1,75 meter. Ter vergelijking: In het aangrenzende Veluwemeer, dat eveneens in de winter met schoon water werd doorgespoeld en ook met ijs bedekt was geweest, maar niet was afgevist, bedroeg het doorzicht eind mei maar 0,4 meter. Toch is enige voorzichtigheid op zijn plaats, melden de onderzoekers. Na juni kan het jonge witvisbroed nog flink huishouden onder de watervlooien, terwijl de jonge snoeken dit jaar nog te klein zijn om hun rol als roofvis waar te maken. Bovendien kan vis bij het schutten van schepen via de sluizen terugkeren naar het Wolderwijd. Daarom wordt deze zomer extra witvis afgevangen. De ontwikkeling van watervlooieneters zoals de aasgarnaal wordt nauwlettend gevolgd. (H2O [24] 1991, nr. 13)