Ter Braak en Bolland

In een artikel in NRC Handelsblad van 21 juni plaatst Martin van Amerongen de mening van Boudewijn Buch over de filosoof Bolland (“een gek”) tegenover die van Ter Braak, volgens wie Bolland “groot” zou zijn.

Nu heeft Ter Braak zich reeds in zijn befaamde studie over Der Mouw ('Dat ben jij', 1925) met volle overtuiging gericht tegen Bollands opmerkelijke redeneringen en stilistische hoogstandjes. Hij koos de zijde van Bollands criticus Der Mouw en is daar, zoals op vele plaatsen uit het Verzameld Werk blijkt, nooit van afgeweken. In V.W. 1:23 schrijft hij over het Nederlandse neo-hegelianisme, “dat de triomfen zijner opstanding hoofdzakelijk vierde in de grote Bolland”; hij bespreekt de gevaren van taalgoochelarij en pompeuze retoriek en prijst Der Mouw als Bollands “waakzame tegenstander”, die zich niet laat overrompelen door de bekoorlijke onnauwkeurigheid van een onpsychologisch, lingustische ontwikkelingen negerend taalgebruik en verwerpt Bollands “esoterische profetenallures” (V.W. 1:226). In V.W. 4:166 en V.W. 5:347 en 349 komt hij terug op de tegenstelling Der Mouw-Bolland en vermeldt Der Mouws dispuut met “de grote saltimbanque Bolland”. Bolland was destijds voor velen een autoriteit, zoals blijkt uit Ter Braaks Verzameld Werk 4:147, 4:273, 4:356, 7:235. In V.W. 7:328 citeert Ter Braak Thomas Mann, die Schopenhauers bescheidenheid plaatst tegenover Hegels uitspraak: “Ich rede nicht nur die Wahrheit, ich bin die Wahrheit.” Ter Braak voegt daar tussen haakjes aan toe: “Bolland komt ons voor de geest.” Met “de grote Bolland” (V.W. 1:223) gaf Ter Braak duidelijk de mening van Bollands aanhangers weer, die bepaald niet de zijne was. Zouden we in Nederland dan toch een ironieteken nodig hebben?