'Rapporteur moet laveren tussen uitersten'; Irak lang 'terra incognita' op gebied van mensenrechten

LEIDEN, 27 JUNI. “Mag ik eerst even iets rechtzetten?” De Leidse hoogleraar volkenrecht prof. P. Kooijmans laat zijn werk even voor wat het is en neemt plaats in een gemakkelijke stoel. “In sommige kranten stond dat Van der Stoel als VN-rapporteur in Irak aan het werk gaat. Dat moeten we nog afwachten: als de Iraakse regering hem geen toestemming verleent om het land in te komen moet hij elders zijn informatie vergaren. Ook zag ik ergens staan dat de benoeming zou zijn geschied op voordracht van de Nederlandse regering. Maar voor benoemingen als deze doen regeringen nooit een formele voordracht, er worden alleen namen gedropt.”

Van der Stoel is op dit moment met vakantie. Dat zijn naam is gevallen en dat de mensenrechtencommissie van de VN hem deze week heeft benoemd tot rapporteur over de mensenrechtensituatie in Irak, verbaast Kooijmans niet. Of zijn vroegere baas - Kooijmans was onder Van der Stoel staatssecretaris van buitenlandse zaken in het kabinet-Den Uyl - ook de eerste keus was van Irak betwijfelt hij daarentegen zeer. “Iemand uit Nederland, dat tijdens de Golfoorlog aan de kant van de geallieerden stond. En iemand met een grote staat van dienst op het gebied van de mensenrechten. Ik vermoed dat Irak bokkig zwijgend akkoord is gegaan. Dat is op zichzelf niet zo uitzonderlijk: geen enkel land ziet gaarne een VN-rapporteur komen. Dat Irak heeft toegestemd komt, denk ik, omdat het op den duur niet gesoleerd wil blijven.” Zelfs voor Kooijmans, sinds 1985 speciale rapporteur van de Verenigde Naties inzake martelen, is Irak 'terra incognita' op het gebied van de mensenrechten. Hem komen wel verhalen ter ore over martelingen, maar hij kan geen zinnig woord zeggen over de schaal waarop dat gebeurt. Concrete informatie kunnen alleen gevluchte gevangenen geven. “Een van de redenen dat we nog zo weinig weten is dat gevangenen moeilijk kunnen vluchten. Als ze al uit de gevangenis komen is dat na een executie. Dan mag de familie het lichaam komen ophalen.” Een landen-rapporteur zoals Van der Stoel kan onder andere bij non-gouvernementele organisaties informatie inwinnen, bij Amnesty International en bij de Commissie van arabische democratische juristen. Volgens Amnesty hadden sinds de inval van Irak in Koeweit op grote schaal buitengerechtelijke executies plaats. Worden in Irak nog steeds “routinematig en systematisch” martelingen toegepast. En worden mensen willekeurig gearresteerd, waarna ze niet zelden verdwijnen. Als Van der Stoel geen toegang krijgt tot Irak, kan hij naar de omringende landen gaan om informatie te vergaren en naar het mensenrechtenbureau van de VN in Geneve. Krijgt hij de kans om zich ter plekke op de hoogte te stellen, dan moet hij laveren tussen twee uitersten: de autoriteiten die zelden genegen zijn volledige opening van zaken te geven en de slachtoffers die dat juist maar al te graag doen. Kooijmans: “Het is een eenzame post. Als je je te veel afzet tegen de regering word je voor hen een onaanvaardbare gesprekspartner. Als je het tegenovergestelde doet, krijg je van bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties het verwijt dat je je een oor hebt laten aannaaien.” Ook kan Van der Stoel zich laten informeren door de militairen die het gebied hebben doorkruist. En door humanitaire organisaties die vluchtelingen hebben opgevangen. “Er zijn berichten naar buiten gekomen over gevangenissen in het zuiden van Irak waarvan niemand ook maar het bestaan wist en die door de geallieerden zijn ontdekt”, zegt Kooijmans. Ondanks het feit dat het mensenrechtenwerk uitdijt staat deze VN-tak voor niet meer dan 0,7 procent op de begroting. Op veel (betaalde) assistentie hoeft Van der Stoel dan ook niet te rekenen, aldus Kooijmans, die verwacht binnenkort zelf zijn enige full-time medewerker te verliezen. “Ik weet nog niet wat ik terugkrijg. Je hebt zelfs rapporteurs die geen letter schrijven omdat het veel te veel tijd kost naast je gewone baan en je geen mensen hebt. Maar ik verwacht niet dat Van der Stoel daarin zal berusten.” De benoeming van een landenrapporteur geldt voor een jaar en kan steeds met een jaar worden verlengd. Het is, zegt Kooijmans, “een valse hoop te denken dat het werk van een rapporteur zo zegenrijk is, dat de ellende na een jaar ophoudt”. Chili bijvoorbeeld heeft van 1975 tot 1990 een rapporteur gehad, El Salvador heeft er een sinds 1978. Onlangs is de VN-rapporteur van Roemenie voor de tweede keer herbenoemd. De kans dat de desbetreffende regeringen het rapport in hun la leggen is niet uitgesloten, maar ze voelen zich volgens Kooijmans wel degelijk aangesproken wanneer zwart op wit wordt aangetoond dat schendingen van de mensenrechten plaatshebben. En vervolgens wereldkundig worden gemaakt. Wanneer de mensenrechtencommissie in een bepaald land een keer ten goede bespeurt, maar de situatie toch nog te zorgwekkend vindt, wordt het rapporteurschap omgezet in een adviseurschap. Zo'n adviseur traint bijvoorbeeld politiemensen hoe ze op een fatsoenlijke manier met arrestanten moeten omgaan. Kooijmans: “Ik zeg altijd: folteren begint niet in een kelder van de gevangenis. Folteren begint op de politieschool.”