President Waldheim van Oostenrijk stelt zich niet weer herkiesbaar; Bruine verleden nu bespreekbaar

Kurt Waldheim, de 72-jarige president van Oostenrijk, houdt van aandacht. Die heeft hij weer volop gekregen door binnen- en buitenland te verrassen met de aankondiging dat hij volgend jaar, als zijn zesjarige ambtstermijn afloopt, niet weer beschikbaar zal zijn voor een nieuwe ambtsperiode. Iedereen had eigenlijk het tegendeel verwacht. De laatste maanden gedroeg Waldheim zich juist steeds meer als kandidaat. Hij ontving voor het eerst sinds jaren de buitenlandse pers en besprak de grote internationale thema's als een staatsman met toekomst. In Wenen lekte bovendien uit dat hij een vooraanstaand journalist had willen aanstellen als speciale assistent met de opdracht zijn reputatie in joodse kring en in het buitenland wat op te vijzelen. En zo waren er meer indicaties van Waldheims ambitie nog wat in de Hofburg te blijven plakken.

Het is anders gelopen en hij heeft kennelijk het oor geleend aan de stemmen die hem raadden volgend jaar met waardigheid af te treden en daarmee te voorkomen dat Oostenrijk opnieuw zal worden geteisterd door een partij modderworstelen. Want dat was een verkiezingscampagne voor het Bondspresidentschap met een kandidatuur Waldheim zeker weer geworden. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat bijna alle politici in Wenen nu vol lof zijn over Waldheims 'wijsheid', dat men zijn 'gedrag als staatsman' prijst en dat bondskanselier Vranitzky wiens socialistische partij in 1986 de anti-Waldheim-campagne - wegens diens omstreden oorlogsverleden - orkestreerde, met nadruk verklaarde goed met de president te hebben kunnen samenwerken. Al die lof kon natuurlijk niet verbergen dat een zucht van verlichting door Wenens zo mooi opgeknapte Gassen woei. Waldheim, in 1986 door vierenvijftig procent van de kiezers verkozen, was een levensgroot probleem geworden. Geen Westelijk staatshoofd nodigde hem uit, tenzij men de paus in het Vaticaan aldus wil betitelen. Alleen in de islamitische wereld was men van hem gediend. Tot aan Saddam Hoessein toe, die in het begin van de Golf-oorlog Waldheim als eerste Westerse gijzelaarsbevrijder ontving en hem beloonde met het vrijlaten van de in Bagdad aanwezige Oostenrijkers. Iedereen in Wenen met enig politiek benul was in de afgelopen jaren gaan beseffen dat Waldheim de bewegingsvrijheid van Oostenrijk in de wereld lelijk belemmerde en zijn reputatie bezwaarde. Alleen, curieus genoeg, minister van buitenlandse zaken Mock, die in 1986 de partijloze Waldheim voor zijn partij, de OVP, had 'ontdekt', bleef als 'Dr. Hondetrouw' aan de man in de Hofburg vasthouden. Misschien had de meerderheid van de kiezers, als ze daartoe de kans had gekregen, dat ook gedaan. In Oostenrijk hadden veel mensen sympathie tegen wil en dank voor Waldheim ontwikkeld omdat men vond dat 'het buitenland' een schandelijke campagne tegen hem had gevoerd. Waldheim was nooit een nazi en geen commissie van onderzoek of wat voor internationale instelling ook heeft ooit maar het geringste bewijs kunnen vinden van Waldheims betrokkenheid bij nazi-misdaden, hield men vrienden uit het buitenland voor. Dat Waldheim destijds niet de volle waarheid over zijn rol als verbindingsofficier bij de als oorlogsmisdadiger na 1945 terechtgestelde generaal Lohr vertelde, zagen velen meer als een begrijpelijke karakterzwakte van de in het nauw gedreven Waldheim dan als diskwalificatie voor het hoogste ambt. Deze visie is niet zo onzinnig als buiten Oostenrijk vaak gedacht wordt. De onaanvaardbare kant van Waldheim is niet dat hij een grote nazi was, want dat was hij zeker niet. Of dat hij een oorlogsmisdadiger was, want daarvoor zijn geen aanwijzingen. Alle kritiek op Waldheim die op deze punten tamboereerde, schoot over het doel heen en wekte begrijpelijkerwijs ergernis in Oostenrijk. Het omstreden punt in Waldheims rol in het Derde Rijk was dat hij een doorgewinterde meeloper was, die na de Anschluss keurig in Duits uniform de nazi-Duitse zaak ging dienen, zijn ogen sloot voor gruwelen om hem heen en, zoals hij dat zelf onthullend genoeg ooit formuleerde: “alleen maar zijn plicht deed”. Hiermee onderscheidde Waldheim zich niet van de meeste volwassen Oostenrijkers in die tijd en de vierenvijftig procent van de stemmen die Waldheim als kandidaat voor het presidentschap in 1986 kreeg, gaven meer dan wat ook aan dat de meerderheid van het Oostenrijkse volk zich met de meeloper Waldheim identificeerde en elke suggestie van medeverantwoordelijkheid voor het Derde Rijk afwees. Nu heeft, volgens een opiniepeiling in het dagblad Kurier, zesenzeventig procent van de Oostenrijkse bevolking Waldheims besluit om zich niet voor het presidentschap herkiesbaar te stellen, toegejuicht. Wijst dat op een groeiend besef dat Oostenrijk eindelijk korte metten moet maken met het verleden van nazi-meeloperschap? Of getuigt het alleen maar van enig benul van de schade die het land zichzelf internationaal, zeker aan de vooravond van toetreding tot de Europese Gemeenschap, berokkent met een door de halve wereld geboycot staatshoofd? Waarschijnlijk toch eerder het laatste. Wel wordt er door enige schrijvers en kunstenaars steeds meer aan het onderzoeken naar en verwerken van het naziverleden gedaan, maar in meerderheid beroept men zich in Oostenrijk toch liever op de geallieerde verklaring in Moskou van 1943, waarin het land als eerste slachtoffer van de nazi's werd bestempeld en genereus werd voorbijgezien aan de bijdragen aan het Derde Rijk van lieden als Hitler, Seyss-Inquart en vele anderen. Deze verklaring verschafte aan al diegenen, die zogenaamd 'hun plicht hadden gedaan' als nazi-militairen een comfortabel alibi om de hand niet in de eigen, verre van smetteloze boezem te hoeven steken. Van 1970 tot 1983 was de voormalige joodse immigrant Bruno Kreisky kanselier van Oostenrijk. Merkwaardig genoeg heeft dat niet tot openheid en discussie over het naziverleden bijgedragen. Kreisky, de doorgewinterde politicus, wist veel te goed dat zijn eigen socialistische partij niet om zo'n discussie zat te springen. Ten slotte waren in deze arbeiderspartij de antisemitische gevoelens tegen de vaak joodse kleine burgerij, grote zakenwereld en intelligentia van oudsher sterk geweest. Kreisky mikte uit verkiezingsoverwegingen eerder op verzoening met het onverbeterlijke nazi-element in Oostenrijk dan op confrontatie waardoor het verleden tot in de jaren tachtig verdoezeld, vergoelijkt, soms zelfs verheerlijkt en in elk geval onverwerkt kon voortleven. De ironie van de Waldheim-geschiedenis is dat hij de discussie over de skeletten in de kast toch heeft bevorderd. Zoals al gezegd hebben schrijvers als Peter Turrini, Gerhard Roth en Thomas Bernhard deze skeletten de afgelopen jaren steeds meer op toneel en televisiescherm tentoongesteld. Nu Waldheim met pensioen gaat kan de discussie, vijfenveertig jaar na dato en dus een tikkeltje aan de late kant, misschien verder worden gevoerd zonder de vertroebelingen die door de ijdele man in het presidentiele paleis werden opgeroepen. Veel Oostenrijkers hadden ondanks alles sympathie voor hun president. Men vond dat het buitenland een schandelijke campagne tegen hem had gevoerd.