Pensioengelden als economische motor

DEN HAAG, 27 JUNI. De pensioenvoorstellen van staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) zijn niet alleen bedoeld om stuitende mankementen aan het Nederlands pensioenstelsel te repareren. De nota is voor een belangrijk deel gebaseerd op de gedachte dat de hoge Nederlandse pensioenreserves een sterkere bijdrage moeten leveren aan de ontwikkeling van de economie en de overheidsfinancien op korte en middellange termijn.

De nota zelf legt de nadruk op de bijdrage aan de economische ontwikkeling. Twee voorstellen zijn daarvoor vooral van belang. Allereerst het voorstel om niet meer uit te gaan van het loon dat men op het moment van pensionering verdient, maar van het gemiddelde loon dat men heeft verdiend. De pensioenpremie kan dan omlaag, onder andere omdat werknemers die weinig of geen carriere maken niet meer hoeven mee te betalen aan de pensioenopbouw van carrieremakers. De besparing op de pensioenkosten leidt tot een besparing op de arbeidskosten, omdat werkgevers hun te betalen pensioenpremie kunnen verlagen. Datzelfde gevolg treedt op als het voorstel wordt gerealiseerd om pensioenen hooguit waardevast (nu meestal welvaartsvast) te maken. Ook bij dit systeem zal minder premie opzij hoeven worden gezet. Het kabinet kan overigens moeilijk wettelijk voorschrijven dat pensioenuitkeringen alleen nog maar waardevast mogen zijn. Het kan wel de pensioenfondsen verbieden hogere reserves op te bouwen dan noodzakelijk zijn om waardevaste pensioenen uit te keren. Naast voordeel voor de economische ontwikkeling door lagere arbeidskosten voor bedrijven leiden de voorstellen echter ook tot voordeel voor de overheid. Dit voordeel blijft in de nota wat onderbelicht. Als bedrijven en werknemers minder pensioenpremie hoeven af te dragen wordt de belastingopbrengst hoger. Pensioenpremies worden beschouwd als uitgesteld loon, dat wil zeggen dat er geen belasting over hoeft te worden betaald. Pas de pensioenuitkeringen worden belast en dan meestal tegen een lager tarief dan de werknemer in zijn arbeidsjaren verschuldigd zou zijn. Minder pensioenpremie betalen betekent een hoger inkomen voor werknemers en dus nu meer belasting betalen tegen een hoger marginaal tarief. De vraag is waaraan die hogere belastingopbrengst moet worden besteed. Algemene belastingverlaging, beperking van de staatsschuld, meer overheidsinvesteringen zijn de suggesties die de afgelopen maanden over tafel gingen. Uit de nota blijkt dat premier Lubbers zijn idee om pensioenfondsen een voorheffing op te leggen heeft laten varen. Lubbers had voorgesteld om de vermogens van de pensioenverzekeraars jaarlijks te belasten. Deze voorheffing zou tevens eindheffing zijn, dat wil zeggen dat de pensioenuitkeringen die in het bestaande systeem belast zijn onbelast zouden worden. Deze heffing zou dus een belastingopbrengst naar voren halen en daardoor de schatkist een keer een fors bedrag opleveren, dat de premier zou willen gebruiken voor verlaging van de staatsschuld en overheidsinvesteringen. De voordelige effecten op korte termijn voor de overheidsfinancien van de voorstellen van Ter Veld zullen wat diffuser zijn, maar ze zijn er wel. Tenslotte kan het voorgestelde systeem ook de financiele problemen die de overheid krijgt bij verzelfstandiging van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in een klap oplossen. Minister Dales (binnenlandse zaken) heeft eind vorige week het groen licht gekregen om te onderzoeken of een privatisering van het ABP mogelijk is. Een van de obstakels is een onenigheid tussen de ambtenarenbonden en het kabinet over een dreigend tekort bij het ABP. De bonden en het ABP menen dat het overheidspensioenfonds op termijn 15 miljard gulden te weinig in kas heeft om te voldoen aan zijn pensioenverplichtingen. De schuld wordt gelegd bij de rijksoverheid die in de jaren tachtig de door het rijk te betalen pensioenpremie kunstmatig laag heeft gehouden om gaten in de rijksbegroting te kunnen stoppen. Komt er een bepaling dat pensioenfondsen nog maar maximaal mogen reserveren voor de uitbetaling van waardevaste in plaats van welvaartsvaste pensioenen dan zal het ABP in de toekomst minder geld hoeven uit te keren dan nu wordt becijferd. De premie hoeft dan minder sterk te stijgen. En de overheid hoeft dus minder bij te dragen en geen of nauwelijks nog een tekort aan te vullen.