Opzichtige windvaan

Gisteren was het weer eens raak. Ik zat nog maar net op m'n fiets of daar betrok de lucht en begon het te regenen - plotseling en met dikke druppels, zoals zo vaak de afgelopen tijd. Op alles voorbereid, rukte ik een plastic poncho uit de tas aan mijn stuur en trok het ding aan. De poncho is van plastic, heeft een eigele kleur en bestaat uit een rugflap die je om je middel aansnoert, een grote capuchon, en een voorschoot die je over je stuur heenlegt.

Zo'n poncho is voor weinig geld bij iedere fietsenhandel aan te schaffen en functioneel. Hij houdt het bovenlichaam en de bovenbenen droog, en heeft daarmee het voordeel boven de langere, van voren sluitende jassen die opkruipen en openwaaien. Jammer genoeg beschermt de poncho niet van opzij, iets wat zich pijnlijk doet gelden als een auto passeert en een fontein van water en straatvuil over de weerloze fietser en voetganger heen spuit. Naast dit functionele mankement heeft de regenponcho nog een nadeel: hij is - om het zacht uit te drukken - onflatteus. Uitsluitend verkrijgbaar in one-size, valt hij vrijwel altijd te ruim. De plastic stof heeft een bizarre tint, is stug en kil, en hangt als een plompe zak om je heen. Het 'pure' plastic houdt alle wind tegen, wat het fietsen tegen de wind in bemoeilijkt. Laatst ging ik op zoek naar een alternatief voor mijn ouderwetse regenponcho. Ik wilde eindelijk eens een jas waarbij het esthetische aan het functionele werd gepaard, zodat ik niet meer als een opzichtige windvaan door de stad hoefde te laveren om droog te blijven. De oogst was mager. Een modieuze regenjas die bestand is tegen een stortbui vond ik niet. Daarvoor in de plaats wel eindeloos veel korte, katoenen jacks, goed te combineren boven mini-rokjes, strakke en wijde broeken, maar absoluut ongeschikt om de zomerse regens het hoofd te bieden. Voor de langere 'Burberry'-jassen gold hetzelfde. Deze van de schouders uit wijd, tot op of over de knie vallende mantels van katoen geven de drager een gedistingeerd aanzien, maar waterbestendig zijn ze zelden. De zwaardere kwaliteit van de stof met voering is bij bepaalde weersomstandigheden juist een handicap: eenmaal doorweekt, droogt de jas langzaam. Uren later is de mantel nog steeds niets meer dan een muf ruikende, klamme lap. Stone Island - een duur en zeer gewild kledingmerk uit Italie - brengt wel jassen op de markt die eruit zien of ze tegen een stootje konden. De jassen, genspireerd op de Engelse wax-coats, zijn klassiek van snit, uitgevoerd in opvallende modekleuren - steenrood, kanariegeel of indigo - en in verschillende lengtes te koop. De stof is van sky of sterk gepolymeerd katoen en laat geen water door. Jammer genoeg kennen ook de produkten van Stone Island zwakke plekken: naden, knoopsgaten en ritsen sluiten direct op de kleding daaronder aan en lekken na een half uur in een flinke bui onvermijdelijk door. Teleurgesteld door het aanbod in boetieks en warenhuizen, stapte ik naar de gespecialiseerde sportzaak. Zoals te verwachten, was daar wel waterdichte kleding, maar dan van het 'survivors'-type te krijgen. Jassen van nieuwe materialen hebben dank zij een speciaal vervaardigde 'coating' van binnen - een microporeus membraan - de prettige eigenschap om van binnen uit te ademen, maar van buiten geen enkele waterdruppel door te laten. Dat de jassen, ondanks hun felle, modieuze kleuren, geen lust voor het verwende oog zijn, laat zich raden uit hun namen: Tasman Jacket, Patagonia, Storm Cruiser Jacket en Thunder zijn maar enkele van de jacks die associaties met woeste bergrivieren, onstuimige zeeen en bivakken in het oerwoud oproepen. Wie dit laatste niet wil, zal moeten wachten op de stilist die een waterdichte regenjas ontwerpt, waar je met goed fatsoen in kan gaan boodschappen doen, de hond uitlaten, naar je werk gaan en vrienden kan bezoeken. Ik denk dat die ontwerper steenrijk zou worden. Maar tot die tijd is aangebroken schrijf ik mijn regenponcho nog niet af.