Op hol

Dikke boeken en dunne mensen hebben een streepje voor. Zoals een slank persoon bij eerste ontmoeting met net iets meer welwillendheid tegemoet getreden wordt dan een dikkerd, zo wekt een dik boek in eerste instantie meer bewondering dan een dunnetje. Het is niet moeilijk te zien waar dit vandaan komt: het geestelijke (ook wel genoemd het hogere) geniet meer aanzien dan het lichamelijke. Een dun iemand staat pal tegen de verleiding zich op laag bij de grondse wijze vol te proppen. Boeken zijn geestesprodukten, per definitie waardevol, en hoe dikker het boek, hoe meer de schrijver blijkbaar te vertellen heeft.

Het is een hardnekkig cliche, waar ik jaren over gedaan heb om me eraan te ontworstelen, en nog steeds betrap ik mezelf af en toe op de gedachte “zo'n dun boekje, moet dat een roman voorstellen - dat zal wel niks wezen”. De taaiheid van het idee dat een goede roman ook Oorlog en vrede-proporties heeft stamt uit een verleden waarin nooit gebrek aan vrije tijd was - voor mij de middelbare-schooljaren. Had ik verder niets omhanden, dan zou ik nu nog steeds het liefst mooie, dikke romans lezen. Maar ik weet intussen maar al te goed dat dikte geen enkele garantie biedt voor leesplezier, integendeel. Dikke boeken, vooral op non-fictie-gebied, zijn saaier, taaier en slechter geschreven dan dunne. Toch staan ze op de bestsellerlijst. De New York Times boekentop-10 barst van de knollen van boeken waarmee je een kat zou kunnen doodmeppen. En ook de boeken die het nooit tot een notering zullen brengen worden maar dikker en dikker. Het is een onrustbarende tendens die bij mij dezelfde gevoelens van onbehagen opwekt als wanneer ik opgesloten zou worden in een kamer vol met anorectische types. De anorexia-patient roept: “Kijk eens wat een wilskracht ik heb!” Het dikke boek roept: “Kijk eens hoe belangrijk ik ben!” Merkwaardig genoeg las ik een paar weken geleden in deze krant een stukje van Hofland (de man die clichematige ideeen schuwt, zoals anderen hondepoep vermijden), waarin hij de lof zingt van het dikke boek. Hij denkt dat de lezers er bij gebaat zijn omdat ze meer waar voor hun geld krijgen en dat schrijvers er financieel wijzer van worden dan van een dunner boek. Geen van beide ideeen klopt. De enige die er voordeel van heeft is de uitgever, omdat het hem werk scheelt. De vloed van dikke boeken is het gevolg van de tekstverwerker alsook van de jacht op bestsellers. De tekstverwerker nodigt uit tot geouwehoer op schrift. Er hoeft nooit meer iets overgetypt te worden. Schaar, lijmpot en typ-ex komen er niet meer aan te pas. De schrijver ziet geen stapeltje betikt papier naast zich, waarvan hij een indruk kan krijgen hoeveel hij al heeft. Dus dat zwetst en zwatelt maar aan. Een klein ideetje dat in een getypt manuscript misschien niet de moeite van het inpriegelen waard gevonden zou zijn, kan nu in vijf seconden ingevoegd worden. Papier is geduldig, maar niet zo geduldig als het scherm van een tekstverwerker. Het is de taak van de uitgever het manuscript te redigeren, maar binnen de rat-race om de bestseller van het jaar is daar geen tijd voor. Als het ingeleverde manuscript een beoogde bestseller moet voorstellen, is de produktietijd al zo krap bemeten dat er van enige inhoudelijke bemoeienis geen sprake meer kan zijn, voor zover de auteurs, met wie contracten van honderdduizenden dollars gesloten zijn, uberhaupt nog geneigd zijn zich iets van het oordeel van een tekstredacteur aan te trekken. Is het in termen van verwachte opbrengst een tweede-garnituur-boek, dan ontbreekt ook de tijd voor redigeren en stroomlijning, omdat er altijd wel een beoogde bestseller de inleverdatum niet gehaald heeft, zodat het gat snel gevuld moet worden. Dit leidt tot stroperige, onleesbare boeken. Neem bijvoorbeeld op fictiegebied John Irving, bekend geworden eind jaren zeventig met The World According To Garp. Een dik boek, maar de moeite waard: veel thema's, veel personen en de schrijver heeft alles netjes aan een touwtje. In zijn latere boeken slaat Irving op hol. Er is nog wel een lijn, maar die is te dun voor de 700 of meer pagina's. Erica Jong is ook zo iemand. Je ziet het wanneer je die boeken alleen maar doorbladert: een ongelooflijke hoeveelheid gekwebbel en zogenaamde eruditie van een tekstverwerkerverslaafde. Een strenge en zorgzame redacteur zou er een niet onverdienstelijk boek van 200 pagina's uit kunnen opdreggen. Nu is het 400 pagina's onzin. Voor romans blijft het moeilijk om limieten aan de dikte te stellen, omdat, toegegeven, er briljante dikke romans bestaan. De veelheid van woorden dient niet alleen de informatie-overdracht, maar is ook het kenmerk van een bepaalde stijl die eigen is aan de schrijver en die een aparte wereld oproept. A la recherche du temps perdu zou misschien tot 300 pagina's teruggebracht kunnen worden, maar het zou Proust niet meer zijn. Voor non-fictie geldt dat niet. Zolang je niet een boek als 'Opkomst, bloei en ondergang van het Romeinse rijk' schrijft, of 'De Tweede Wereldoorlog' is er geen reden om lang van stof te zijn. Maar een blik in de Amerikaanse non-fictie boeken top-10 leert dat over de kleinste onderwerpen (de geschiedenis van een bier-imperium, het militaire reilen en zeilen tijdens de eerste twee jaar van Bush' presidentschap, een moordaffaire in Californie) de dikste boeken worden geschreven. De mensen zullen het wel willen, want het verkoopt, is de rechtvaardiging. Maar ik betwijfel dat. Die boeken verkopen, omdat er in kranten en tijdschriften interessante stukken over gestaan hebben. Vaak staat er in een blad een soort voorpublikatie, niet zomaar een hoofdstukje uit het boek, maar een zeer gedegen, uitgebreide samenvatting, geschreven door de auteur zelf en geredigeerd door een tekstredacteur van het bewuste blad. Zo'n artikel is vaak beter dan het boek zelf. In de journalistiek wordt er nog geredigeerd - bij uitgeverijen alleen nog contracten gesloten. De biografie van Nancy Reagan door Kitty Kelley is een aardig voorbeeld. Na de opwindende krantestukken was het boek zelf van een dodelijk saaie langdradigheid. Zelf hield ik het na 100 pagina's voor gezien en denk dan dat ik daar wel niet de enige in zal zijn. Maar al die anderen schuiven dat op gebrek aan tijd of doorzettingsvermogen en kopen de volgende keer weer zo'n boek dat ze bij lange na niet uitlezen. Zolang de lezers denken dat dit aan henzelf ligt en niet aan het boek, zullen we niet snel verlost raken van de gesel van het dikke boek.