Onheilspellende stiltes en wrede trommen in jonge Spaanse muziek

Holland Festival. (RO) Concert door: Barcelona 216 o.l.v. Ernest Izquierdo. Werken van: Nuix, De Pablo, Del Puerto, Luque, Casablancas en Llanas. Gehoord: 22-6 De IJsbreker, Amsterdam. (RO) Concert door: Schonberg Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Werken van: Gerhard en Falla. Gehoord: 26-6 Beurs van Berlage, Amsterdam. Uitzending: 28-6 NOS, radio 4, 20.02u.

De twintigste eeuwse Spaanse muziek is er een van gemiste kansen. Max Deutsch werd door de regering gevraagd om de jongere generatie in de eigentijdse muziek in te wijden, maar de burgeroorlog zette een streep door de rekening. Roberto Gerhard, evenals Deutsch een leerling van Schonberg, heeft zegge en schrijve aan een Spanjaard les gegeven. Reden: alweer die burgeroorlog. Woensdagavond verbond een Japanse haiku-cyclus een typerend Nederlands gegeven met Spaanse muziek. Zo begint de tekst die Gerhard kort voor zijn vertrek in 1923 naar Wenen componeerde: “Middenin de groene wei staat een bonte koe met roze uiers.” Geen aanleiding overigens tot een roze klankbeeld, zeker niet getuige de tekst van de laatste haiku: “Maar als een balling: wat heb ik aan die bloem, aan dat insekt of aan die wolk?” Een visionaire tekst gemeten aan Gerhards eigen leven. Men verwacht iets schrijnends, iets donker-Spaans gekleurd, maar de componist kiest verrassenderwijs voor een luchtige toonzetting, nostalgisch zonder enige nadruk als een charmant Frans chanson. Niet minder treffend is het vergelijkbare slot van Leo uit 1969 voor vier blazers, twee strijkers, piano, celesta en twee slagwerkers. Het is een van de drie sterrenbeeld-composities waarmee de componist zijn kamermuziek-oeuvre afsluit. Een nogal warrig, om niet te zeggen chaotisch werk, vol grillige cadenzen die soms zomaar verschijnen en ook zomaar verdwijnen, en alweer met een subtiel slot, ditmaal verwijzend naar Venezolaanse volksmuziek. Misschien is het op te vatten als een bovenpersoonlijk kader voor de wellicht wat al te persoonlijke ontboezemingen. Gelukkig gaf dit weekeinde in De IJsbreker het enthousiast musicerend ensemble Barcelona 216 acte de presence om te laten horen dat de jonge garde wel degelijk meetelt. David del Puerto (geboren 1964) lijkt mij Spanjes hoop in bange dagen. Overigens geen Nederlandse ontdekking, want Boulez schonk hem enkele jaren geleden reeds een eervolle opdracht voor het Ensemble InterContemporain. En la Luz (1986) voor fluit, basklarinet, viool, altviool, piano en slagwerk houdt de luisteraar in een ijzeren greep gevangen. Klinkt adembenemend fel, typerend zijn de wrede trommen, een ander slagwerk is er niet. Albert Llanas toont zich in een Fluitconcert uit 1987 veel krachtdadiger, inclusief explosies op de band. Maar spanning verwekkende kracht is niet een kwestie van decibellen. Llanas verveelt al gauw omdat hij niet weet hoe hij die spanning moet vasthouden. Van Del Puerto had hij kunnen leren hoe onheilspellend rusten kunnen werken. Uiteraard wist ook Manuel de Falla heel goed het verschil tussen driftig-sec en adembenemend spannend. Van hem voerde het Schonberg Ensemble tot besluit in de Beurs van Berlage El amor brujo uit in de oorspronkelijke kamermuziek-versie die voorafgaat aan de bekendere suite voor orkest en ballet. De kruidig getimbreerde mezzo-sopraan Graciela Araya en het Ensemble onder leiding van Oliver Knussen oogsten veel succes, maar hoe zorgvuldig men ook musiceerde, het Spaanse vuur wakkerden ze bij mij niet aan. Daarvoor werkt het afstandelijk hoge podium in de Beurs van Berlage ook te weinig mee. In De IJsbreker kregen we Del Puerto's super-Spaanse noten recht in het gezicht geslingerd!