Nederlandse justitie doorkruist met harde aanpak liberalisering in Duitsland; Onze schijnheilige bestrijding van drugsoverlast

Het krantebericht, dat een rapport 'drugs en overlast' het Nederlandse drugbeleid in onze oostelijke grensstreek op zijn kop wil zetten is een week oud. Maar de afdeling Voorlichting van het ministerie van justitie weet van niets. De Minister van justitie zou de conclusies zelfs al hebben overgenomen? Onbekend. Er komt, weet Voorlichting te melden, over een paar dagen een onderzoeksrapport van het WODC, het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het ministerie over dat onderwerp uit. Bedoel ik dat misschien? Nee, dat bedoel ik niet, maar raar is het wel. Want is 'drugs en overlast' dan niet op dat onderzoek van het WODC gebaseerd? Voorlichting weet ook dat niet. Dan maar naar het Ministerie van WVC. Tenslotte is de minister van WVC de eerst verantwoordelijke voor het Nederlandse drugbeleid. Hier is de irritatie bijna tastbaar. Ja, men heeft er uit de pers van gehoord. Nee, verder weet men niets. Nee, WVC zat niet in de commissie, die het rapport maakte. En, nee, geconsulteerd is men ook niet. Het rapport krijgt iets mysterieus. Zou het wel bestaan? Zou Hirsch Ballin er echt mee akkoord zijn gegaan, buiten WVC om en terwijl, volgens persberichten, de procureurs-generaal nog moeten beslissen? Nog in het weekend begint de Duitse ambassade rond te telefoneren. Is Nederland na vier jaar tegenstribbelen bij de onderhandelingen over 'Schengen' nu ineens 'om'? Een goede vraag. Laten we eens kijken of dat waar is.

Om te beginnen: het rapport bestaat echt. Het is al in januari uitgebracht, toen voor advies gezonden naar de verschillende onderdelen van het Openbaar Ministerie en nu wachtende op het eindoordeel van de procureurs-generaal. Maar dat laat de minister van justitie kennelijk koud. Hij weet het al: zo moet het! Het rapport blijkt opgesteld door vijf ambtenaren van het ministerie van justitie, acht officieren van justitie, twee politiemensen en een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Van enige inbreng van het ministerie van WVC, hulpverleningsinstanties en dergelijke is niets te bespeuren. Het is de zoveelste justitiele misser. En niet alleen een procedurele. Weinig strafrecht Geen twijfel: bestrijding van drugsoverlast verdient hoge, zeer hoge prioriteit. Concentratie van druggebruik en drughandel op een plek kan ernstige overlast veroorzaken voor wie daar woont. Die bewoners mogen we niet in de steek laten. Alleen als we al het mogelijke doen, de drugsoverlast te beperken (en eerlijk te verdelen) behoudt ons drugbeleid de steun van de bevolking en valt het overeind te houden. En dat is de moeite waard. Want ons drugbeleid-met-weinig-strafrecht levert nogal aardige resultaten op. Bij ons gaat het stukken beter dan in landen die er krachtig op meppen. Niet alleen hebben wij minder verslaafden, veel minder AIDS en stukken minder drugsdoden. Ook op het punt van de overlast scoren we beter. Wie dat niet gelooft, moet maar eens gaan kijken in Hamburg, Berlijn en Frankfurt, in de parken in het centrum van Zurich en Bern, in New York of achter het Witte Huis in Washington, waar het aantal drugsmoorden nu op meer dan een per dag ligt. Waarom dacht u dat er nu al zo'n drie jaar lang elke twee weken weer een andere delegatie uit het buitenland naar ons drugbeleid komen kijken? Waarom zouden Nederlandse deskundigen worden gevraagd te adviseren over een ander drugbeleid, in Duitsland, in Zwitserland en in de Verenigde Staten? Zelfs de diplomatieke vertegenwoordiging van de Verenigde Staten in Nederland, jarenlang geen vriend van ons drugbeleid, verklaart sinds enige tijd publiekelijk dat wij “een ongewoon laag aantal verslaafden” hebben en “een leidende rol bij de bestrijding van het drugprobleem in de wereld” spelen. Diplomatieke hoffelijkheid? Maar de Amerikaanse vaststelling dat het Nederlandse beleid met zijn scheiding van hard en soft drugs “een bijna klassieke techniek” is om drugs te ontdoen van hun romantiek, jonge hashrokers buiten het criminele circuit te houden, het gevaar voor overstappen van soft naar hard drugs te minimaliseren en politie en justitie zich op de drughandel te laten concentreren - die vaststelling was geen diplomatiek gebaar, want niet voor onze ogen bedoeld. Zij stond (al in 1988) in de interne rapportage van de Amerikaanse ambassade in Den Haag aan Washington. Het feit, dat wij het beter doen dan veel andere landen, betekent echter nog niet dat we het goed genoeg doen. Op het punt van overlastbestrijding bijvoorbeeld, zouden we hier en daar best wat actiever mogen zijn. Daartoe heeft de burgemeester van Arnhem na de gebeurtenissen in Klarendal een onderzoek van het eerder genoemde WODC naar de omvang en de oorzaken van de door Duitsers veroorzaakte drugsoverlast uitgelokt. Dat was een voortreffelijk idee. Want beleid behoort op inzicht in problemen en hun oorzaken te berusten. En op een overzicht van de ter beschikking staande middelen om aan die problemen iets te doen. Daarom is ook de door de procureurs-generaal in 1990 opgedragen inventarisatie van alle bestuurlijke en strafrechtelijke maatregelen die tegen drugsoverlast zouden kunnen worden genomen, een goed initiatief. Het is wat wonderlijk dat zo'n overzicht anno 1990 niet allang bestond. Het laat zien dat we aan de bestrijding van drugsoverlast (te) weinig aandacht hebben besteed. Maar goed, nu zou het dan toch gemaakt worden. Verkokering Maar dan gaat het fout. De verkokering slaat toe. De procureurs-generaal geven de commissie ook opdracht aanbevelingen voor de aanpak van het probleem te doen. Dat drugbestrijding een zaak van Justitie en WVC is, wordt kennelijk over het hoofd gezien. Een formeel punt, zinloze competentie-conflicten? Dit keer niet. Bestrijding van drugsoverlast heeft directe invloed op de drugbestrijding in haar totaliteit. Als we iets van het buitenland kunnen leren, is het wel dat gesoleerde overlastbestrijding tot rampzalige situaties leidt. Ook voor de overlast, trouwens. Waarom gaat het bij voorbeeld in steden als Zurich en Bern op dit punt zo slecht? Omdat hun 'WVC' en hun justitie en politie niet tot een coherent en gentegreerd drugbeleid zijn te brengen. Zo'n beleid, waarbij de belangen van de volksgezondheid, de openbare orde en de criminaliteitsbestrijding tegen elkaar worden afgewogen en zoveel mogelijk worden geharmoniseerd en dat dan door politie, justitie, plaatselijk bestuur, WVC en hulpverlening in onderlinge afstemming wordt gerealiseerd - die integrale aanpak is een van de belangrijkste succesformules van ons drugbeleid. Maar er is nog meer verkokering. Kennelijk wisten de procureurs-generaal en de inventarisatiecommissie niet, dat het WODC met een onderzoek naar drugstoerisme in de grensstreek bezig was. En evenmin, dat er al twee andere duur betaalde onderzoeken naar drugstoerisme zijn met interessante resultaten voor wie een effectief anti-overlastbeleid wil voeren. Niets is daarvan in het rapport terug te vinden. En men lijkt ook niet te weten, wat er intussen in Duitsland op het vuur staat. Een regeling, die op iets langere termijn de basis ontneemt aan de plannetjes tot overdracht van Duitse drugtoeristen aan de Duitse justitie. En die, als we nu niet zo stom zouden zijn de verkeerde signalen af te geven, de Duitse drugsoverlast aanmerkelijk en structureel kan verminderen. In 1985 zei Korthals Altes, toen minister van justitie, het in de Tweede Kamer kort en kernachtig: “Politie en justitie concentreren zich op de handel. Bij soft drugs blijven de kleinhandel en de gebruiker, bij hard drugs de gebruiker justitieel buiten schot. Om verslaafden bekommert zich de hulpverlening”. Vijf jaar later vond dat twee-sporen-beleid in de World Ministerial Drug Summit in Londen internationale erkenning: de handel wordt strafrechtelijk bestreden, maar de verslaafde is geen voorwerp van strafrechtelijke aandacht meer. Ook 'Schengen' volgt die lijn: in het lijstje van strafrechtelijk te bestrijden drugdelicten komen bezit en aankoop van soft of hard drugs niet voor. Ons drugbeleid heeft nog twee bijzondere trekjes. Ten eerste de scheiding tussen hard en soft drugs en, ten tweede, wat wordt genoemd de 'normalisering van het drugprobleem'. Uitvloeisel van die 'normalisering' is onder meer dat gebruikers niet als criminelen worden behandeld, maar als medeburgers met een aanzienlijk psychisch en gezondheidsprobleem. We pakken ze niet op hun drugbezit en -gebruik, maar spreken ze wel aan op andere strafbare feiten. . BEZWERINGSFORMULES . Al deze verworvenheden, die ons de afgelopen jaren geen windeieren hebben gelegd, worden in het rapport met een pennestreek weggevaagd als het om de bestrijding van drugsoverlast gaat. Dat kan ook niet worden verdoezeld door bezweringsformules als “het onderscheid tussen hard en soft drugs dient te worden gehandhaafd”, “de richtlijnen handhaving Opiumwet dienen onverkort uitgangspunt te blijven” et cetera. Want als iemand overlast veroorzaakt, blijft daar niets van over: dan wordt hij wel op zijn drugbezit gepakt, hoe gering ook. En of dat soft of hard drugs zijn, maakt dan niets meer uit. En dat geldt voor iedereen, buitenlanders en Nederlanders. Het rapport rechtvaardigt dat met de opmerking dat het voor burgers niet uitmaakt of zij overlast ondervinden van een soft- of van een hard drug-gebruiker. En met de stelling dat algemeen is geaccepteerd dat het strafrecht kan worden gebruikt om verstoring van de openbare orde tegen te gaan. Dat zijn waarheden als een koe. Maar nog geen reden ons drugbeleid om zeep te brengen. En dat, zoals straks zal blijken, zonder enige noodzaak. De opstellers van het rapport doen nog iets dat niet door de beugel kan. De strafbaarstelling van drugbezit gebruiken ze voor een doel, waarvoor die strafbaarstelling niet gegeven is. Drugbezit is strafbaar gesteld “ter bescherming van de volksgezondheid”. Hier echter wordt de gebruiker gepakt op zijn drugbezit omdat hij overlast veroorzaakt (en niet om zijn gezondheid te beschermen). Wie geen overlast veroorzaakt, mag straffeloos verder bezitten. Detournement de pouvoir, heet zoiets. Aan dit lelijks is in het vak, dat Hirsch Ballin in zijn vorige functie nog een tijdje heeft gedoceerd, zelfs een leerstuk gewijd. Het zou me verbazen als er ook maar een rechter in Nederland te vinden zou zijn, die zo'n vervolgingsbeleid zou slikken. Moet er dan niet tegen drugsoverlast worden opgetreden? Ik heb al eerder gezegd: dat moet juist wel. Zonodig met behulp van het strafrecht. Maar dan graag in het kader van (en gentegreerd in) ons totale drugbeleid, zodat we druggebruikers behandelen zoals het hoort: als medeburgers, die op crimineel gedrag worden aangesproken. Dat wil zeggen: we pakken ze op 'overlast' en niet op hun toevallige drugbezit. Het wetboek van strafrecht heeft strafbepalingen, die daarvoor te gebruiken vallen. En als dat niet genoeg is, kunnen gemeentelijke strafbaarstellingen in de Algemene politieverordening een aanvulling bieden. Het rapport zegt het uitdrukkelijk: “drugsoverlast op straat kan ook bestreden worden door een samenstel van APV-bepalingen”. Zo is het. En waarom gebeurt dat dan niet? Het rapport doet vermoeden dat dat komt omdat allerlei gemeenten zulke bepalingen nog niet hebben gemaakt. Is dat een reden ons drugbeleid op zijn kop te zetten? . DUITSE VERSLAAFDEN . En nu, ten slotte, het drugbeleid in Duitsland. Veel drugsoverlast wordt veroorzaakt doordat Duitse druggebruikers met hun in Nederland gekochte drugs niet naar huis durven en die dus ter plekke consumeren. Twee onderzoeken naar drugtoerisme laten zien dat wij niet aantrekken, maar de Duitsers uitstoten en ons aldus opdoffen met hun problemen. De vorige Minister van justitie zei in 1989 in een 'Schengendebat' terecht dat wij de fout dit keer niet bij onszelf hoefden te zoeken omdat dit soort effecten is te wijten “aan Duitsland en zijn onverzoenlijke vervolgingsbeleid”. Maar van dat Duitse beleid maken we graag gebruik als een Duitse verslaafde overlast veroorzaakt. Dan dragen we hem met een proces-verbaal voor een paar gram over aan de Duitsers. Zo versterken we dat Duitse beleid en maken de Duitse justitie en politie tot 'Ordnungsmacht' in onze grensstreek. En we doen precies wat de Duitsers ons jarenlang hebben proberen op te dringen: we stellen in ons oostelijk grensgebied het Nederlandse recht buiten werking en vervangen het, voor Duitsers, door Duits recht. Maar 'Schengen' eist, zegt het rapport, dat het ene drugbeleid het andere niet mag bemoeilijken. Aan uitvoer van drugs moeten we dus wat blijven doen. Hier neemt de schijnheiligheid stuitende vormen aan. Want het gaat justitie helemaal niet om de bescherming van het drugbeleid in Duitsland. Het gaat haar om overlast in Nederland. Aan uitvoer van gebruikershoeveelheden drugs wil het rapport alleen wat doen als er sprake is van overlast. In het proces-verbaal moet die overlast dan ook uitdrukkelijk worden vermeld. 'Gentegreerde aanpak' wordt dat genoemd. Dit is niet alleen ongewoon schijnheilig, het is ook dom. Zo geven we het verkeerde signaal af en verhinderen, mogelijk, dat we juist dat verregaand kwijt raken, wat we kwijt willen: Duitse overlast. Want in Duitsland is veel aan het veranderen. In 1988 heeft de regering van de deelstaat Hamburg een drugsbestrijdingsconcept aangenomen, dat zelfs verder gaat dan wat bij ons gebruikelijk is. Sindsdien is onder de actieve leiding van Hamburg vooral in de door SPD geregeerde Duitse deelstaten een reeks van ontwikkelingen op gang gebracht die het Duitse drugbeleid veel dichter bij het onze brengt. En sinds een half jaar ligt er bij de Duitse Bondsdag een wetsvoorstel dat voor Duitse verhoudingen revolutionair is: de invoering van het opportuniteitsbeginsel voor alle consumentendelicten. Net als bij ons kan de Duitse officier van justitie dan seponeren als iemand drugs (ook hard drugs!) in een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik bezit, produceert, doorvoert, koopt, uitvoert en invoert. Met maar twee voorwaarden: geringe schuld en geen 'offentliches Interesse an der Strafverfolgung'. . VERKEERDE SIGNALEN . Dat wetsvoorstel is een initiatief van de Duitse Bondsraad en door deze al aanvaard. Het is onderdeel van een pakket waarover de SPD- en CDU-deelstaten het na moeizaam onderhandelen eens zijn geworden. De kans dat het door de Bondsdag komt, is dus zeer aanzienlijk. En dat betekent tweeerlei. Ten eerste: na een aanlooptijd van enkele jaren zal het drugsbeleid in de aan ons grenzende Duitse deelstaten aardig op het onze gaan lijken. En daarmee zal de druk (en de overlast) van Duitse verslaafden op ons grensgebied aanmerkelijk afnemen. En ten tweede: als wij over enige tijd Duitsers met een paar gram plechtig ter vervolging overdragen, worden we door de Duitse justitie hartelijk uitgelachen. En zo hoort het ook. We moeten onze zaken in Nederland zelf opknappen. En intussen niet door dit rapport de verkeerde signalen afgeven die de ontwikkeling van een nieuw Duits drugbeleid nadelig zouden kunnen benvloeden. In ons welbegrepen eigenbelang.