'Met de Britten is geen land te bezeilen, laat staan een continent!'; Europese top slechts springplank

BRUSSEL, 27 JUNI. De bijeenkomst van de Europese Raad van regeringsleiders, morgen en zaterdag in Luxemburg, zal moeten worden gebruikt als springplank naar de volgende halfjaarlijkse Raad, die in Maastricht in december. Dat is de mening van de meeste Brusselse 'Eurologen' en Berlaymont-watchers.

Veel concrete resultaten zijn er niet te verwachten, daarvoor liggen de standpunten over tal van gevoelige punten op de agenda te ver uit elkaar. Zelfs een catalogus van de punten waarover men het wel eens is, afgezien van de obligate hoofdstukken als de voortgang van het interne-marktprogramma, zal niet worden opgesteld, want anders springt te zeer in het oog over welke punten men het nog niet eens is. 'Piece de resistence' van de discussies tussen de Europese leiders zal de vraag zijn hoe het verder moet met het verdrag voor een Europese Politieke Unie. Eind dit jaar moet een voor elke lidstaat aanvaardbare tekst klaarliggen. Het nu aflopende voorzitterschap van Luxemburg, waarover overigens zowel onder de lidstaten als bij de Europese Commissie grote waardering wordt uitgesproken, is er ondanks verwoede pogingen niet in geslaagd voorstellen in te dienen die ieders goedkeuring konden wegdragen. Nu eens tendeerden de voorstellen teveel naar de Franse kant, dan weer werden accenten aangebracht die nieuwe tegenstellingen bij andere lidstaten opriepen. Met name bij de Britten. Op vrijwel alle punten waarop Europa probeert tot meer politieke eenheid te komen, rijst verzet van Londen. De 'federale' roeping die de Europese Gemeenschap zou moeten voelen, wekt bij de Britten alleen maar de gedachte aan een soort Big Brother die vanuit Brussel zijn bureaucratische armen over het continent uitbreidt. De sociale paragraaf zou volgens hen alleen maar tot gevolg hebben dat de werkloosheid toeneemt. De Britten zijn tegen het opnemen van te strikte formules over het veiligheidsbeleid, tegen uitbreiding van de Europese politieke samenwerking, tegen uitbreiding van de bevoegdheden van het Europese Parlement, en tegen uitbreiding van het aantal meerderheidsbeslissingen in de ministerraden. Kortom, er valt, zo vinden hoge functionarissen bij de Europese Commissie, met de Britten geen land te bezeilen, laat staan een continent! Bij veel lidstaten ligt de mening over de Britse houding wat genuanceerder. Op elk van bovengenoemde punten hebben Denemarken en Ierland bijvoorbeeld ook wel wat aan te merken, terwijl zuidelijke lidstaten als Spanje, Portugal en Griekenland vastbesloten zijn om in het verdrag een passage op te nemen die ze in staat stelt extra geld te krijgen voor het bereiken van de economische cohesie binnen de EG. Cohesie, zo zeggen zij, die onontbeerlijk is als het ooit tot een unie moet komen. De minder bedeelde landen in de EG willen in het verdrag zelfs artikelen invoegen over toerisme en gezinsplanning, alsof dergelijke onderwerpen relevant zijn voor de politieke eenwording van Europa. Nederland, een land dat zich volgens het hoogste gezag in Brussel de laatste zes maanden heeft opgesteld in de meest pure geest van het Verdrag van Rome, staat ook niet erg te juichen bij de pogingen om zoveel mogelijk bevoegdheden en bemoeienissen over te dragen aan de Europese Gemeenschap. Natuurlijk, Nederland is in hart en nieren communautair ingesteld, maar het wil, evenmin als de Britten, dat de EG een centralistische regelmachinerie wordt. De subsidiariteit, het principe dat bepaalt dat zoveel mogelijk zaken op een zo laag mogelijk niveau bestierd worden, wordt in Den Haag met een grote S geschreven. Ook de Denen en de Duitsers zijn die mening toegedaan, de Duitsers vooral omdat ze rekening hebben te houden met de beslissingsbevoegdheden van de deelstaten. De bevoegdheden van de soevereine staat mogen volgens de Denen en de Duitsers niet al te zeer worden ingeperkt door communautaire regelgeving. Anders, zo vreest men, komen we met de EG terecht in een administratieve cultuur a la Frankrijk, een cultuur van interventionisme, 'etatisme' en protectionisme. Wat dat betreft is er bij deze top weinig nieuws onder de zon: de constantes die er al jaren waren, dezelfde reflexen, ze zijn er ook nu de lidstaten proberen niet alleen hun economie, maar ook hun politiek meer op elkaar af te stemmen. Over de totstandkoming van de interne markt, het programma om op 1 januari 1993 een Europa zonder binnengrenzen te scheppen, zal dit keer waarschijnlijk niet veel gesproken hoeven te worden. De harmonisering van de BTW-tarieven en de accijnzen is sinds begin deze week zeer dicht bij een totale oplossing. Een “weerbarstig” probleem is de vrijheid van het personenverkeer: hoe kan, als de grenscontroles zijn weggevallen, worden voorkomen dat criminele figuren ongestoord en onnaspeurbaar door Europa zwerven? Een vast punt op de agenda van de Europese Raad vormt sinds enkele jaren de 'zetelkwestie': de vestigingsplaats van de Europese instellingen. De Europese Commissaris voor milieuzaken, Ripa di Meana, is langzamerhand zo gefrustreerd geraakt dat het Europese milieu-agentschap nog steeds geen plaats van vestiging heeft kunnen krijgen dat de Commissie nu wil dat de vestigingsplaats van het milieubureau wordt losgekoppeld van de andere zetelkwesties, Brussel of Straatsburg voor het Europese Parlement, het merkenbureau voor Den Haag of Madrid, etc. etc. Of dat zal lukken ligt nog steeds aan Frankrijk. De Italiaanse premier Giulio Andreotti is al meer dan een jaar bezig om een oplossing te vinden, maar tot dusver tevergeefs. Hoog boven alle procedurele, institutionele en conceptuele problemen van de Gemeenschap uit torenen echter de echte wereldproblemen: de Sovjet-Unie, Midden- en Oost-Europa, waaronder vooral het desintegrerende Joegoslavie, en de nasleep van de Golfoorlog.