Luchtspiegelingen van de verre overkant

De afgelopen weken besprak het parlement een nieuwe opzet voor de volwasseneneducatie. Net als het beroepsonderwijs moet deze onderwijssoort op Amerikaanse leest worden geschoeid. Het is de vraag of dat wel kan.

Nog wat slaperig rekt Queens Boulevard zich uit in de morgenzon. Langzaam waaieren de goud-gele taxi's uit over de brede straatweg die Queens verbindt met Manhattan, het commerciele hart van New York City. Ook de kale terreinen langs de weg waar auto's kris kras door elkaar staan opgesteld, komen beetje bij beetje tot leven. Nog wat lomig begint een lange zwarte jongen in een blauwe overall het blik op te poetsen dat ter verkoop wordt aangeboden. Weldra arriveren de eerste sjacheraars om zich rond de roestige Chevy's en Oldsmobiles te verdringen. De kans is groot dat de taxi-chauffeur of auto-verkoper een deel van zijn opleiding heeft gehad op de school aan de kop van de boulevard, vlak bij Queensboro Bridge. Laguardia Community College voorziet daar in de meeste educatieve behoeften van de gemeenschap van Queens. De jonge Aziatische immigrant die zijn weg nog moet vinden, kan er - mits voldoende armlastig - gratis een cursus Engels volgen. De auto-verkoper wordt er, desnoods op zondagmiddag, tegen betaling in een paar uur klantvriendelijkheid onderwezen. En het is niet uitgesloten dat de taxichauffeur die zich op de vierbaans weg van Queens Boulevard volledig kan uitleven, een crash course op Laguardia heeft gevolgd van $ 150 per week. Het community college, de belangrijkste vorm van beroepsonderwijs in de VS, heeft in Nederland de magische klank gekregen van het voorbeeld in de verte. Het belichaamt precies die idealen die bij ons grotendeels als abstracties in de onderwijsdiscussies figureren. Zaken als een 'betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt', 'flexibele onderwijsprogramma's' en 'autonomie van scholen' - allemaal bedoeld om het aanzien van het Nederlandse beroepsonderwijs te verbeteren - zijn in de 1200 community colleges in de Verenigde Staten reeds lang werkelijkheid. Ook de beoogde integratie van allerlei soorten van beroeps- en volwassenenonderwijs zoals vorig jaar nog werd bepleit in het rapport van de commissie-Rauwenhoff, is in de VS al een feit. De talrijke korte en lange curussen, (Grad)- en non-(Grad) programms bieden de jongere die van high school komt een opstap naar arbeidsmarkt of hoger onderwijs. Voor de oudere is Laguardia een reparatie-plaats waar de werkloze of werknemers wordt opgetuigd om opnieuw of nog beter op de arbeidsmarkt te kunnen functioneren. Laguardia is Open Universiteit en beroepsonderwijs tegelijk. Sinds enige tijd maken Nederlandse schoolbestuurders, directie-leden of andere inwoners van de pedagogische provincie dan ook de grote oversteek naar het beloofde land. De teksten in de reisverslagen waarmee ze terugkomen, stromen niet zelden over van melk en honing. ''De term cafetaria-systeem als aanduiding voor een gendividualiseerd en geflexibiliseerd systeem is misschien te zwak om de spankracht van de colleges uit te drukken'', juichten twee 'procescoordinatoren' uit het MBO na een rondreis langs enkele community colleges. Ook de omvang van de instituten, soms 60.000 studenten groot, doet de 'schaalvergroters' in ons land watertanden.

BROKJES ONDERWIJS

Raymond C. Bowen, de zwarte, wat zwaarlijvige president van Laguardia Community College, staat zijn Nederlandse gasten graag te woord. Hij neemt er de tijd voor om te vertellen hoe community en college in Queens met elkaar verweven zijn. In een gemeenschap die lang niet meer zo welvarend is als toen Nancy Reagan er als klein kind opgroeide, heeft zijn school zich gespecialiseerd in tweede kans onderwijs. Niet voor niets is de school vernoemd naar de Italiaanse burgemeester van New York die uit een van de minderheden kwam die het ook van de educatieve rebound moesten hebben. Waar andere colleges in rijkere regionen zich specialiseren in het afleveren van zoveel mogelijk afgestudeerden die naar de universiteit kunnen, is men op Laguardia al blij als de student het een en ander kan worden 'bijgebracht'. Het groeiend aantal Aziaten en Hispanics in de wijk maakt van cursussen als 'Engels als tweede-taal' booming business. Daarnaast is het programma overladen met de inmiddels meest gedemocratiseerde vorm van technologie-onderwijs: computer-programmeren. Ook cursussen die appeleren aan primaire volksgevoelens zoals graf- en lijkwetenschap (mortuary science) ontbreken niet. De 9000 volle tijds en 26.000 deeltijd-studenten van Laguardia - tussen de 16 en 96 jaar oud - weerspiegelen de etnische verhoudingen van Queens. Met hun drieendertig procent vormen de spaanstalige studenten de grootste groep. Dertig procent is zwart, 18 procent blank, en 13 procent aziatisch. Meer dan zestig procent komt uit gezinnen met een minimuminkomen. Geen wonder, beklemtoont president Bowen dat een grote meerderheid geen graad haalt. De meesten komen op Laguardia voor wat brokjes onderwijs: een module hier, een credit daar. Na een paar credits te hebben behaald verdwijnen ze weer omdat ze een nieuw baantje hebben of de moeilijkheden thuis te groot zijn geworden. Dit gedragspatroon heeft veel community colleges inmiddels de bijnaam van 'draaideur-instituut' bezorgd. Het bedrukt Bowen evenmin dat de grote meerderheid van de volle-tijds studenten twee keer zo lang over zijn opleiding doet dan de officiele verblijfsduur van twee jaar. Dat is op de meeste community colleges het geval. Bovendien: hoe langer de verblijfsduur, hoe meer geld in het laatje. Zeker de laatste tijd waarin de stad New York in een diepe economische recessie is gedompeld, kan Laguardia die cursusgelden goed gebruiken. Zoals de meeste community colleges financiert de school in Queens eenderde van haar totale budget van 35 miljoen met cursusgelden ($ 362.50 dollar voor fulltime-studenten uit New York, $ 60 per credit voor parttimers). De rest van het budget wordt gevuld met staatsgelden (33 procent) en federale hulp (33 procent). De volletijds studenten lopen veel stages, verspreid over zo'n 400 kleinere en grotere bedrijven in de stad. Een van de slogans in de gladde video over de school luidt niet voor niets 'true to life': een vak leren waar het hoort, niet tussen de boeken, maar daar waar het naar olie ruikt. Daarnaast zijn er de nodige uitwisselingen tussen leraren op school en de bedrijven om op de hoogte te blijven van de laatste trends. Om de banden met het bedrijfsleven die hiervoor nodig zijn, op peil te houden, houdt president Bowen zich minder met onderwijs bezig maar meer met fundraising dinners voor lokale ondernemers. De bazen van IBM die computers met korting leveren ontvangt Bowen het liefst in het veel verderop gelegen Waldorf Astoria Hotel.

ZWARE TOPLAAG

Om de tienduizenden studenten door het doolhof van de zeer uiteenlopende soorten cursussen te leiden, kennen community colleges als Laguardia een zware toplaag van managers en administrateurs. Minder dan de helft van de 630 personeelsleden van de school in Queens staat voor de klas. Andere afdelingen houden zich onder meer bezig met het ontwikkelen van onderwijsprogramma's - in ons land nog steeds een taak van de verzuilde pedagogische centra. Maar ook de kinderopvang voor de vrouwelijke werknemers en studenten en de eigen studie-financieringsafdeling slorpen de nodige menskracht op. Wie Laguardia naar Nederland wil overplanten zal onmiddellijk de vakbonden tegenover zich vinden, zo blijkt uit de introductie van president Bowen. Dat menig leraar op zondag moet werken geldt naar Nederlandse verhoudingen nog als de geringste arbeidsvoorwaardelijke zonde. Op de meeste community colleges heeft slechts een kleine kern een full-time vaste aanstelling. Wanneer de vraag naar verpleegkunde ineens in elkaar zakt, kan Laguardia het zich niet permitteren om het thuiszitten van aldus overbodig geworden leraren te subsidieren. Daarnaast houdt Laguardia het onderwijssysteem draaiende dankzij een on-nederlands laag ziekteverzuim-percentage van om en nabij de twee procent. Wie slechts twintig dagen per jaar betaald ziek kan zijn zoals op Laguardia, is niet vaak ziek. De soepele omgang met arbeidsvoorwaarden is niet de enige reden waarom de community colleges als exportprodukt in Nederland minder zullen aanslaan dan de laatste film van Madonna. De Amerikaanse hoogleraar in de onderwijseconomie aan Berkeley University, Charles S. Benson, wijdde enige tijd geleden een kritische beschouwing aan de community colleges. De analyse werd in het Nederlands vertaald door onder anderen de huidige minister van onderwijs in ons land, prof.dr. J. Ritzen - in zijn vorig leven eveneens onderwijseconoom. Benson betitelt de situatie van het beroepsonderwijs in de V.S. als 'precair'. Community colleges hebben namelijk twee doelstellingen die volgens Benson maar weinig met elkaar te maken hebben: enerzijds een economische, namelijk bijdragen aan de produktiviteitsgroei, en anderszijds een sociale: 'kansarmen' nieuwe kansen bieden. De sociale doelstelling kreeg met name de kans vlak na de Tweede Wereldoorlog toen de community colleges een stormachtige groei doormaakten. Bij wijze van dank aan de talloze soldaten die van de slagvelden van Europa terugkeerden, werd ieder van hen na thuiskomst gratis onderwijs geboden. Dat hield ze meteen van de straat en hielp hun opnieuw in het maatschappelijk leven integreren. De bestaande instellingen van hoger onderwijs konden de toestroom niet aan, waarop de community colleges het gat gingen vullen. In de daaropvolgende decennia is van de sociale en economische doelstellingen echter bitter terechtgekomen, betoogt Benson. Het onderwijs van 'modules' en 'credits' mag dan voor veel kansarme jongeren 'op maat gesneden' zijn - in Nederland inmiddels ook een populaire kreet - maar bevordert niet een geleidelijke doorstroming naar de hogere niveaus. Het systeem lokt als het ware voortijdig vertrek uit. Ook de geringe betrokkenheid van het vele parttime-personeel van de school bij de leerprestaties van de student jaagt de drop-outgraad omhoog, aldus Benson. ''Slecht beroepsonderwijs wordt zo een wrede grap voor mensen die hun kansen op de arbeidsmarkt denken te vergroten.'' Ook zet de hoogleraar grote vraagtekens bij het functioneren van de community colleges op de arbeidsmarkt. Bedrijven die studenten willen aannemen, weten lang niet altijd precies wat de credits van de school waard zijn. In plaats van aan inhoudelijke eisen te voldoen, moeten de studenten gewoon een bepaalde periode op school hebben gezeten om een credit te verwerven. Bovendien zitten er vaak meerdere community colleges in een regionale markt. Zodra hier de mare gaat over een schreeuwend tekort aan verpleegkundigen, melden jongeren zich massaal bij de diverse scholen aan voor een nieuwe toekomst in deze sector. Vanwege het financiele belang bij de aanmeldingen en het gebrek aan informatie over lange trends, bieden de colleges onvoldoende weerstand aan de plotselinge toestroom. Het gevolg is dat de beruchte varkenscyclus op gang komt, schrijft Benson. Die maakt dat er na enkele jaren uiteindelijk meer afgestudeerde gegadigden zijn dan arbeidsplaatsen. Terwijl men in Nederland de wens koestert de economisch gerichte MBO's en sociale instellingen als die van de basiseducatie onder een dak te brengen, concludeert Benson juist dat het goed zou zijn de community colleges in tweeen te hakken. Dat maakt voor het beroepsonderwijs de weg vrij om zich te specialiseren in het technologisch onderwijs waarin de V.S. hopeloos achterop dreigen te raken. Andere instanties zouden zich dan kunnen richten op de bevolkingsgroepen die op de maatschappelijke bezemwagen dreigen te belanden.

KWALITEITSBEWAKING

Maar is er dan helemaal niets uit de schoolklas van de overkant te leren? Blijft het Amerikaanse voorbeeld een mooie luchtspiegeling? De ontwikkelingen van de laatste weken wijzen op een punt in een andere richting. Enkele weken geleden werd in Nederland een rapport gepubliceerd over de bewaking van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs. Dat moeten de 140 MBO-scholen zelf gaan doen, vond een commissie onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar onderwijskunde prof.dr. A.M.L. van Wieringen. Want als men wil dat scholen minder afhankelijk worden van de overheid, en zich meer op de eisen van de arbeidsmarkt richten, dan zijn andere kwaliteitswaarborgen nodig dan de rigide overheidsexamens. De aanbevelingen in het rapport doen denken aan de kwaliteitsbewaking in het beroepsonderwijs in de VS waar centrale overheidscontrole al twee eeuwen geleden tot nationale nachtmerrie werd verheven. Achterin het rapport stond dan ook een uitgebreide schets hoe kwaliteitsbewaking bij scholen als Laguardia is georganiseerd. Elk zichzelf respecterend community college in de VS heeft een 'keurmerk' van een der zogeheten accrediterings-organisaties. Er zijn zes van dergelijke regionale keurinstellingen. Op elke organisatie zijn een paar honderd community colleges aangesloten die contributie betalen. De hoogte is afhankelijk van de grootte van de instelling. Deelname is vrijwillig. De accrediteringsorganisatie komt minstens een keer per tien jaar langs om te kijken of de school het verleende keurmerk verdient. Het community college dat zoiets mist, blijft weliswaar formeel recht houden op subsidie van de overheid. In de praktijk gaan scholen zonder keurmerk echter op de fles. Ter voorbereiding van het bezoek van een delegatie van de accrediterings-organisatie maken schooldirecteuren als president Bowen en zijn collega's een uitgebreide zelfstudie van de school. Heeft het community college zijn zelf gekozen doelstellingen waar kunnen maken? Wat liep goed, wat kon beter? Deze zelfstudie dient als basis van het bezoek dat een delegatie van de accrediteringsinstelling vervolgens aan het community college brengt. Het zeer kleine centrale secretariaat van de instelling (budget van slechts een paar miljoen dollar) zoekt de leden bij elkaar, afkomstig van community colleges uit een heel ander deel van het land. Zo komt Philadelphia bij New York op bezoek, maar niet New York bij New York. De meeste delegaties tellen tussen de 4 en 10 leden. Tijdens de drie dagen van hun verblijf hebben ze niet alleen het beleefde gesprek met de president en zijn medewerkers. Ze brengen ook bliksembezoeken aan coordinatoren van afdelingen, leraren en studenten. Omdat scholen elkaar beoordelen bepalen ze zelf hoe ver de kwaliteitscontrole gaat. Niet ver dus, zo gold althans in het verleden. Veel delegaties gedroegen zich lange tijd slechts als reclame code-commissies die kwamen controleren of het aantal boeken in de bibliotheek overeenkwam met de opgave in het reclame-materiaal. Pas de laatste tijd is de aandacht verschoven naar het onderwijs zelf. Hoeveel studenten levert het community college binnen hoeveel tijd af? Krijgen de afgestudeerden een baan en houden ze die? Hoe aktueel is de inhoud van de lesprogramma's? Wat zijn de credits en (Grad)'s precies waard? Maar ook de uitkomsten van deze vragen worden consequent gerelateerd aan wat de school zelf aan 'missies' heeft geformuleerd. Universele maatstaven voor drop-out of verblijfsduur rieken weer teveel naar centralisme, vinden de scholen in de VS. Na het bezoek legt de delegatie haar conclusies vast in een eigen rapport. Een commissie van de betrokken school en van de accrediterings-organisatie vergelijken de bevindingen van rapport en zelfstudie. Op basis hiervan schrijven ze een eindrapport waarin aanbevelingen voor eventuele verbeteringen geformuleerd. Het eindrapport is niet openbaar. Dit om te voorkomen dat de onderzochte school zich in haar zelfstudie beter voordoet dan ze in werkelijkheid is. Het Nederlandse rapport van twee weken geleden spreekt eveneens over periodieke kwaliteitsrapportages. Die zouden elke drie jaar moeten plaatsvinden. Ook hierbij zou zelfstudie door de school - een novum voor Nederland - een belangrijke rol moeten spelen. Een vereniging van middelbaar beroepsonderwijs zou deze zelfsstudie's moeten beoordelen.

EXTERNE DESKUNDIGEN

De grote vraag die bij publikatie van het rapport meteen opdoemde is in hoeverre bij de 'visitatie' deskundigen van buiten het beroepsonderwijs moeten worden betrokken. Het voordeel van externe deskundigen van bijvoorbeeld vakbonden en bedrijfsleven is niet alleen dat het onderzoek kritischer en breder wordt dan het Amerikaanse. Bovendien kunnen zo veel beter toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in het bedrijfsleven bij het kwaliteitsonderzoek worden betrokken. Dit krijgt dan niet alleen een controlefunctie - wat in het verleden misging, maar ook een innovatiefunctie - wat in de toekomst nodig is. Net zoals in zoveel andere onderwijsdiscussies is het laatste woord nog niet gezegd. Inmiddels is echter wel duidelijk dat minister Ritzen enige belangstelling heeft voor een systeem als het Amerikaanse. In een toespraak in Delft voor een gezelschap van ingenieurs op 23 mei kondigde hij aan naar een visitatie-systeem op Europees niveau te willen streven. Nederland is te klein om scholen objectief over elkaar te laten oordelen. Behalve internationaal samengestelde visitatiecommissies zou er ook een databank met informatie en oordelen van werkgevers en werknemers over de scholen moeten komen. De eerste gelegenheid om iets van dit streven waar te maken doet zich snel voor bij het komend Nederlands voorzitterschap van de Europese Gemeenschap vanaf 1 juli. Ritzen heeft inmiddels opdracht gegeven tot een studie naar de haalbaarheid van zijn ideeen. Misschien komt het er dan ooit nog eens van: de directeuren van de MBO-school van Haarlem die bezoek krijgen van hun collega's uit Milaan.