Knoeierij van juristen blijft beroepsgeheim

Tien jaar geleden werd aan de zesenvijftigjarige Peter Noll, een beroemde hoogleraar strafrecht te Zurich, meegedeeld dat hij blaaskanker had. Het voorstel van de doktoren om hem te opereren, wees hij af omdat een kunstmatige verlenging van het leven in strijd was met zijn opvattingen over leven en dood. In de negen maanden die hem nog bleken te resteren dicteerde hij zijn gedachten over sterven en dood, die na zijn overlijden als Diktate uber Sterben und Tod werden gepubliceerd. Daaruit bleek dat hij het leven op - bewuste - termijn als een grote vrijheid had gevoeld, omdat het een leven zonder behoeften bleek en daarom zo zuiver, hoewel vaak met veel droefheid, kon worden ervaren. De vraag naar de zin van het leven bleef overigens ook voor hem onopgelost, al constateerde hij wel dat er in het zinloze leven oases van zin bestonden, zoals “de tijd met een vrouw doorgebracht of in gesprekken met vrienden”.

In zijn boek noemt Noll regelmatig de vrouwen die in zijn leven een grote rol speelden, maar ze blijven anoniem en ook beschrijft hij niet in welk opzicht de met hen doorgebrachte tijd een oase van zin was. Misschien is deze zwijgzaamheid uit discretie te verklaren, maar aannemelijker is dat ook Noll geen woorden heeft gevonden voor die oase. En toch begrijpt iedereen die ooit de zeldzame ervaring van een geloofwaardige heteroseksuele liefde heeft gekend dat met die oase een even subtiel als substantieel en complex samengesteld geluk wordt bedoeld en dat er in dat opzicht geen denken en dus ook geen taal is die het gevoel overtreft. Dat zijn gesprekken met vrienden oases van zin zijn geweest, lijdt geen twijfel als we weten dat tot zijn beste vrienden Friedrich Durrenmatt en Max Frisch behoorden. Van deze gesprekken doet Noll uitgebreid verslag. Verweven met zijn gedachten over sterven en dood en over de oases van zin in het zinloze leven, sprak Peter Noll zijn afkeer uit van juristen en van de verwording van het recht tot een systeem van macht in plaats van een systeem ter controle op macht. Hij pleitte voor een wezenlijke sociale rechtvaardigheid, voor stoutmoedigheid en een kritisch vermogen bij juristen. Als het recht zijn morele functie wil vervullen en een systeem van rechtvaardigheid wil zijn, dan zal macht het centrale thema van het recht moeten vormen, schrijft Noll. “Men moet de wetmatigheden van de macht kennen om haar de wet van het recht op te leggen. Men kan per slot van rekening ook niet leeuwen leren temmen zonder ooit een leeuw te hebben gezien.” En verderop: “De juristen die filosoferen over het juiste recht zie ik als anatomen die met een dood object werken. Het levende object zou de macht moeten zijn, maar daaraan zijn ze zelf onderworpen”. Ter gelegenheid van de Nederlandse vertaling van Diktate uber Sterben und Tod wijdde ik indertijd in het Nederlands Juristenblad een kort artikel aan dit indrukwekkende boek in de hoop dat het op grote schaal door juristen zou worden gelezen. Een jaar later lag het boek in de ramsj. Dat kan mede aan mijn bespreking hebben gelegen, maar eerder vrees ik dat het boek van Noll geen ander lot heeft gekregen dan elke kritische studie waarin het recht wordt aanklaagd als de dienstknecht van de macht. Omdat Peter Noll onder juristen echter als rechtsdogmaticus in hoog aanzien stond en omdat zijn Gesetzgebungslehre als een standaardwerk geldt, had het in de rede gelegen dat ook zijn afscheidswoorden over het recht belangstelling hadden ondervonden. Maar wie in het licht van de dood in volledige vrijheid kan spreken, treft kennelijk geen gehoor dat in volledige vrijheid kan luisteren. Het paradoxale van kritiek op macht is dat deze kritiek vrijwel altijd door de macht zelf wordt bevestigd en dat aan machtskritieken reeds daarom nooit een lang leven is beschoren. Men kan zich vermoeid bij deze paradox neerleggen vanuit het historische besef dat de wereld wordt beheerst door platvloerse en botte machtswetten. Maar moet men dan niet tegelijkertijd erkennen dat in dat opzicht de rechtswetenschap wel een zeer gering rendement oplevert in verhouding tot de doelstelling van het recht: de beperking en de controle van macht? Tevens ligt de conclusie voor de hand dat de juridische opleiding, waarin machtsanalyses zelfs geen onderdeel van het curriculum vormen, inadequaat en inefficient is ingericht. Temidden van de macht, die overal is, behoort het recht een oase te zijn die zin geeft aan maatschappelijke verhoudingen en processen, omdat zonder recht deze verhoudingen en processen in blinde machtsuitoefening en dus in zinloosheid ontaarden. Misschien sterker nog: alleen wanneer het recht maatschappelijke oases van zin creeert, zijn de door Peter Noll genoemde persoonlijke oases van zin mogelijk, omdat bij voorbeeld de liefde en de vriendschap geen enkele macht verdragen en onder condities van maatschappelijke ongelijkheid nauwelijks kans van slagen hebben. Het is het probleem van de (on)mogelijkheid van de heteroseksuele liefde bij uitstek. Maar juristen zullen zichzelf dit probleem nooit stellen. Integendeel, zij verrichten hun werk als ongeschoolde monteurs die sleutelen aan het recht en ongeweten het recht dienstbaar maken aan de macht omdat zij nooit hebben geleerd hoe de mechanismen van de macht in elkaar steken. De dwaling van juristen over de eigenlijke aard van hun vak behoort tot hun best bewaarde beroepsgeheim. Deze dwaling gaat ten koste van individuen en groepen, wreekt zich op talloze terreinen en op talloze manieren en is tot een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijkse bestaan geworden. Pas bij onalledaagse situaties verliest het machtskarakter van het recht zijn vanzelfsprekendheid en manifesteert zich in volle omvang het deficit van het recht en de rechtswetenschap. Een extreem maar representatief voorbeeld van een onalledaagse situatie is de Europese eenwordingsoperatie. Niet gehinderd door regels van democratische rechtvaardigheid is de Europese eenwording een kermis van ijdele politici en bedrijfsmagnaten geworden die een explosie van ongecontroleerde machtsuitoefening oplevert. Zonder democratische controle op internationeel niveau en met voorbijgaan aan de democratische controle door de Europese lidstaten zelf, komen radicaal nieuwe maatschappelijke constellaties tot stand die de vanouds kwetsbare groepen opnieuw naar de periferie van de samenleving drijven, zoals werknemers in de lage echelons van de arbeidsmarkt, asielzoekers, vluchtelingen en vrouwen. En passant wordt in Nederland de sociale zekerheid afgebroken omdat de Europese markt gelijke concurrentieposities dicteert; wordt de rechtshulp aan de minstbedeelden bedreigd en wordt, eveneens ter bescherming van de Europese economische orde, een totalitair systeem van criminaliteitsbestrijding ontwikkeld. Ondertussen richten de juridische faculteiten hun programma's opnieuw in en trachten zij het machtsrendement van de juridische opleiding te maximaliseren door studenten te stimuleren als commercieel ingestelde advocaten mee te graaien in de Europese ruif en door bij de studenten elke kritische reflectie op het recht te ontmoedigen. Nihilisme en gedachteloze aanpassing aan de macht treden in de plaats van het collectieve geweten dat in een geseculariseerde wereld geen ander onderkomen vindt dan in het recht. Wanneer het recht dat onderkomen niet of niet meer kan bieden wordt, volgens Peter Noll, God opnieuw functioneel als hoogste appelinstantie. Ik vraag me af of minister Hirsch Ballin, ooit een Gesetzgebungsgelehrter, zich in deze goddelijke anarchie kan vinden.

De auteur is universitair docente vrouwenstudies aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam en beleidsmedewerkster aan het Clara Wichmann Instituut