JUNI '66 - TJEBBE VAN TIJEN; Links was in jaren zestig niet aardig voor Provo

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Het provo-meisje Koosje Koster werd veroordeeld wegens het uitdelen van krenten en op 14 juni brak een straatoproer uit dat leidde tot het aftreden van burgemeester Van Hall. Hoe moeten we achteraf terugkijken op dat woelige jaar? In de elfde aflevering van deze serie Tjebbe van Tijen, beheerder van het Provo-archief en talloze andere documenten.

AMSTERDAM, 27 JUNI. “Hebben wij hier ruimte?” Vertwijfeld kijkt Tjebbe van Tijen zijn werkkamertje rond. Tussen de modernste computer-parafernalia en jarenoude paperassen zoekt de archivaris van 'de jaren zestig' naar een zitplaats. Hij schuift 'De sociale en persoonlijke beleving van 11 veganisten in Nederland en Belgie' en een video-bandje van 'Christelijke punk-muziek' opzij. Achter hem roept het Baskisch blad tot 'Amnistiaren aldeko Batzordeak' op. Vlakbij het voormalige abattoirterrein in Amsterdam-Oost zetelt in een imposant gebouw het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar houdt Tjebbe van Tijen (47) in dienst van de Universiteit van Amsterdam, zich bezig met alles wat gedefinieerd kan worden als 'eigentijds' en 'alternatief'.

In 1965 leerde Van Tijen in Milaan beeldhouwen. Hij herinnert zich nog een grote opstand vanwege drie meisjes in minirok en demonstraties van de communisten. Knokploegen van rechtse studenten traden regelmatig tegen linkse studenten op. Er waren ook Milanese provo's, maar van hun bestaan kwam hij pas veel later, op het instituut te weten. “De jaren zestig!” moppert Van Tijen bij aanvang van het gesprek “Dat is weer zo'n voorbeeld van de media die de tijd in plakken willen snijden, liefst in decennia.” Het is weliswaar een maatschappelijk gebruik geworden om een tijdperk met termen als 'roaring twenties' een etiket te geven - “Dat maakt dat je al weet waar het over gaat” - maar het blijft vertekenend werken. “Men heeft behoefte aan 'breekpunten', aan 'gewrichten waar de tijd om draait', aan 'scharnieren', maar wat draait er om wat?” Zo'n vage tijdsaanduiding als 'de jaren zestig' werkt verduisterend, meent hij. Volgens hem hebben de 'burgelijke media' een vertekend beeld van die tijd geschapen en hercirculeert dat beeldmateriaal weer bij alle herdenkingen. Hij toont een foto van Koen Wessing waarop een slechts handjevol mensen verloren staat te demonstreren. Die foto werd toen niet door de krant gekozen, net zo min als die waarop twee ogenschijnlijk moedeloze demonstranten voor twee ongenteresseerde agenten uit sjokken. “Kijk eens wat een lulligheid”, becommentarieert Van Tijen de foto's. Die 'lulligheid' wordt nooit in beeld gebracht. Van Tijen wijst erop dat het ogenschijnlijk eenvormige beeld van 'de jaren zestig' in feite bestaat uit heel verschillende elementen. Provo's, vredesactivisten, studenten, artisten - “Voor een deel natuurlijk dezelfde mensen” - hielden zich met de meest uiteenlopende acties bezig. Dat gebeurde door het hele land, onderstreept Van Tijen. Er wordt volgens hem ten onrechte vanuit gegaan dat alles in Amsterdam begon en dat wat in het land gebeurde het werk was van epigonen. Van Tijen spreekt over “een mengelmoes van uit de middenklasse afkomstige 'modernisten', existentialisten die in dumpkleding naar jazz-muziek luisterden en arbeidersjongeren die van rock & roll hielden”. Later werd voor deze groepen de popmuziek een bindende factor. Naast het in 1965, vanuit een 'alternatieve' muziekbehoefte opgerichte 'Hitweek', ontstaat uit een geheel ander engagement het blad 'Provo'. Van enige bindende ideologie is geen sprake. Er is een amalgaam van egalitaire, utopistische en anti-materialistische ideeTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT en. Jongeren zetten zich af tegen de keurigheid, de gezagsgetrouwheid en het in hun ogen kritiekloze consumptiegedrag van de oudere generatie. In allerlei steden duiken provo-achtige bladen op. Zo interviewt in 1965 de 'radikale scholier' Bart van Heerikhuizen, in het Aerdenhoutse blad '?', de toen invloedrijke Constant Nieuwenhuis. Dan is er een heel korte periode van veel verandering, de tijd van de 'Flower Power', voorjaar 1967. Toen werden, aldus Van Tijen, de meest uiteenlopende bewegingen opeens door hetzelfde aangeraakt. “Tot in het Oostblok blies die wind.” Van Tijen citeert het Tilburgse popblaadje 'Psychedelic Sound': “Freak-out heeft alles te maken met Psychedelic Sound en Love-in. Het is een geestestoestand die je krijgt bij het beluisteren en bezichtigen van klanken en kleuren die in grote hoeveelheden en met duizelingwekkende snelheid vanaf het podium op je worden afgevuurd. Het is onmogelijk om al deze klank- en kleureffecten te verwerken. Niet de romantische liefde maar de massale liefde, iedereen houdt van iedereen, geen haat, geen oorlog, niet neerzitten bij de negatieve aspecten van het leven maar proberen overal de goede positieve kanten van te zien en deze ook te benutten.” Even tekenden de communisten in Nederland bloemen op hun pamfletten. In de periode 1967-1975 worden 48 verschillende 'underground'-tijdschriften gepubliceerd. Van 'Aloha' tot bladen als: 'Drie keer bellen', 'Shit' en 'De Ei'. “Alles stond in het teken van genot. Muziek, geestverruimende middelen, seks.” Tegen de 'hippies' nam de linkse beweging, volgens Van Tijen, een rare, dubbelzinnige houding in. Zo wezen Conrad Boehmer en Ton Regtien openlijk 'Provo' en 'Kabouter' af en schreef Mulisch “een schandelijke hagiografie van Castro, waar hij nooit afstand van heeft genomen.” Het was goed om zich tegen de maatschappij af te zetten en te ijveren voor een nieuwe orde, maar dan wel vanuit de goede marxistisch-leninistische motivatie. “Na de tijd van de Flower Power kreeg je al snel een sombere periode van regressief gedrag.” Met enige verbittering spreekt Van Tijen over de studenten die door de CPN gemobiliseerd werden tegen de uit Provo ontstane 'Aktiegroep Nieuwmarkt'. Deze aktiegroep verzette zich tegen de sloop van een groot aantal woningen in de Amsterdamse Nieuwmarkt die moesten wijken voor de metro. “Nu konden die studenten bewijzen aan wiens kant ze stonden!” Nee, 'links' was niet aardig voor 'Provo'. Van Tijen schetst een warrige tijd waarin even alles mogelijk leek. De jeugd zette zich af tegen de schijndeftigheid van de vorige generatie en zwoor het colbert en de das af. In reactie op het duffe 'klootjesvolk' dat zich kritiekloos aan de consumptiemaatschappij laafde, ontstond een 'spijkerpakken'-cultuur die hen herkenbaar maakte als interessante markt voor massagoederen. Omdat het ideeengoed niet geclaimd werd door een partij kon het tot alle lagen van de bevolking doordringen. Universiteiten werden 'gedemocratiseerd'. In kraakpandjes - “In 1967 las je al in Groningen 'Redt een pandje, bezet een pandje”' - ontstonden de eerste alternatieve voedselwinkels. En al die verschillend genspireerde bewegingen sloten een monsterverbond wanneer de staat ergens tegen optrad. Van Tijen is boos over het recente zwijgen van de media na het uit de lucht halen van Radio 100. Wel aandacht voor Provo die de censuur van de jaren zestig aan de kaak stelde, maar geen fundamentele discussie wanneer een groepje dat zich met cultuur bezighoudt als 'een criminele vereniging' wordt gedoodverfd. “Dat was in de jaren zestig nooit gebeurd.”