Japanse bedrijven doelwit van criminele querulanten

Japanse gangsters hebben een opmerkelijk doelwit: aandeelhoudersvergaderingen van grote bedrijven. Wie de yakuza niet betaalt, kan rekenen op onrust en veel lastige vragen. De schrik zit er goed in: vandaag hielden ruim 1.700 bedrijven uit preventie tegelijk hun jaarvergadering.

Natuurlijk opereren de Japanse gangsters, de yakuza, in de traditioneel criminele branches zoals prostitutie, handel in wapens en drugs en goktenten. Maar Japans georganiseerde misdaad beperkt zich niet meer tot de zelfkant. De laatste jaren is een nieuwe markt aangeboord: de aandeelhoudersvergaderingen van grote concerns. Gangsters bieden aan de vergaderingen soepel te laten verlopen. Wie de service weigert krijgt de sokaiya - de in aandeelhoudersvergaderingen gespecialiseerde gangsters - toch in huis. Ditmaal echter niet om lastige vragenstellers de mond te snoeren, maar als lastige vragenstellers. Hoe wijd deze branche zich inmiddels heeft verspreid, blijkt uit het feit dat 1737 Japanse bedrijven vandaag tegelijkertijd hun aandeelhoudersvergadering houden. Dat zijn vrijwel alle aan de beurs genoteerde bedrijven die in maart hun boeken hebben gesloten. Zij willen op deze manier de kans te verkleinen dat ongewenste lieden hun aandeelhoudersvergadering bezoeken. Desalniettemin hebben 1600 van deze bedrijven voor de zekerheid ook maar een beroep gedaan op politiebescherming bij de vergadering. Daarvoor is vandaag zesduizend man politie op de been. Voor het Westerse oog lijkt het gevaar van een sokaiya nogal mee te vallen. Zijn dreigement bestaat uit het stellen van vragen op de aandeelhoudersvergadering en daarvoor is zo'n bijeenkomst immers bedoeld. In Japan - waar de huisregel is dat te allen tijde de schone schijn wordt opgehouden - is de aandeelhoudersvergadering de archilleshiel van het bedrijfsleven. De sokaiya zet er graag de tanden in. De criminele connecties van de sokaiya zijn afdoende om de schrik erin te krijgen. Want al heeft hij het witte pak met de brede revers en de zonnebril van zijn traditionelere vakbroeder verruild voor een neutraler pak en vermeldt zijn visitekaartje nu consultancy international in plaats van 'bende van de gouden draak' - zijn korte permanent laat er geen misverstand over bestaan dat deze genteresseerde aandeelhouder liever geld ziet dan antwoord op zijn vragen. In 1986 duurde de aandeelhoudersvergadering van Sony langer dan dertien uur doordat de bedrijfsleiding door sokaiya werd doorgezaagd met gedetailleerde vragen. Hoewel er niet iets specifiek mis was of een schandaal binnen de deuren gehouden moest worden, ontketende het optreden van de sokaiya een soort publiciteit waaraan Japanse bedrijven een hekel hebben. Als de sokaiya voldoende krijgt betaald, zal hij zich inzetten voor een soepel verlopende bijeenkomst: een uitkomst voor die bedrijven die wel wat te verhullen hebben. Bij de machinefabriek Tsugami hing in 1986 een presidentiele coup in de lucht waarnaar een van de aandeelhouders informeerde. Nog voordat de president goed en wel aan zijn antwoord was begonen, stonden de sokaiya op en riepen: 'zo is het wel genoeg!'. Toen een ander over deze zaak het woord wilde nemen, werd hij bij zijn mouwen gegrepen en werd hem verhinderd op te staan. Toen de aandeelhouder uiteindelijk toch het woord kreeg, moest hij het zonder microfoon stellen; niemand verstond hem. Deze specifieke tak van afpersing kan alleen bloeien door de immense angst in het Japanse bedrijfsleven voor vragen. “De aandeelhoudersvergadering is in Japan niet meer dan een jaarlijks ceremonieel dat zo snel en glad mogelijk moet verlopen”, aldus professor Shigeyuki Maeda van de Hosei Universiteit in Tokio. “Ze houden er niet van hun problemen openbaar te bespreken. Ook al zijn er geen problemen, dan nog vermijden ze het liefst vragen, al gaan deze over het beleid van het bedrijf. De sokaiya buiten dit uit. Het is dan ook moeilijk om activiteiten van de sokaiya te bestrijden zolang bij bedrijven deze houding blijft bestaan.”

Pag. 20

Sokaiya: Lage streken met een hoger doel

Om de sokaiya-activiteiten uit te roeien, heeft de regering in 1982 een wetswijziging doorgevoerd. Deze maakt niet alleen de met afpersing dreigende aandeelhouder strafbaar, maar ook de firma die toegeeft aan de druk en betaalt. De bedoeling is de chef algemene zaken, die verantwoordelijk is voor het organiseren van de aandeelhoudersvergadering, te ontmoedigen op sokaiya-aanbiedingen in te gaan. Sinds de nieuwe wet is ingevoerd, zijn er slechts negen sokaiya-zaken aan het licht gekomen. Volgens professor Maeda zegt dat genoeg over de 'effectiviteit' van de wet. Volgens de wet moet aangetoond worden dat betalingen in direct verband met de aandeelhoudersvergadering staan. De moderne sokaiya heeft hieraan allang een mouw gepast. Hij geeft bij voorbeeld een blaadje met bedrijfsnieuws uit waarvoor de bedrijven, die van zijn diensten gebruik maken, een astronomisch abonnementsgeld betalen. Zo werkt de wet alleen maar contra-produktief, omdat de sokaiya steeds moeilijker te onderscheiden is van de reguliere relaties van een bedrijf. De zaak van het warenhuis Sogo illustreert hoe moeilijk de lijnen te trekken zijn. Vlak voor de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering kreeg het hoofd van Sogo's administratie - Uemura - een dertig pagina's tellende brief met vragen die drie sokaiya op de vergadering wilden stellen. Uemura organiseerde een ontmoeting met het trio en gaf het een stapel sogo cadeaubonnen en elk een fles whisky. De aandeelhoudersvergadering was in 33 minuten afgelopen, zonder enige rimpeling. Zowel Uemura als de drie sokaiya zijn hiervoor beboet, Uemura voor tweeduizend gulden, en de sokaiya voor tweehonderd gulden. Na deze veroordeling gaf de vice-president van Sogo een persverklaring uit waarin hij stelde dat Sogo de cadeaubonnen niet aan de sokaiya had gegeven in ruil voor een garantie voor een rustig verloop van de vergadering. De ontmoeting met de sokaiya vooraf was alleen bedoeld om de vragen van te voren door te spreken omdat de lijst zo lang was. De whisky en de cadeaubonnen waren een relatiegeschenk, een idee van Uemura. Een ruwe vorm van sokaiya bestond al voor de oorlog. Toen stond er buiten het gebouw - waar een aandeelhoudersvergadering werd gehouden - wel eens een groepje te joelen en te dreigen met een rechtszaak over een echt of vermeend schandaal. De modernere vorm is ontstaan in de jaren zeventig. Het waren niet de yakuza die de aandeelhoudersvergadering ontdekten als middel om door te dringen tot de bedrijfsleiding, maar de slachtoffers van industriele milieuschandalen. Na vruchteloze pogingen om erkend te krijgen dat de veel voorkomende misvormingen, spasmen en sterfgevallen in Minamata het gevolg waren van loodlozing in de baai van Minamata door de chemische firma Chisso, kochten de slachtoffers en hun familie aandelen in Chisso. Zij konden op die manier de president en de commissarissen met hun 'stompjes' confronteren en hen om opheldering vragen. Chisso huurde op haar beurt een groep gangsters in om de slachtoffers op de jaarvergadering te overschreeuwen. Dat was de definitieve doorbraak van de aandeelhoudersvergadering als pressiemiddel. De 'sokaiya' werken nu ofwel als ordeverstoorders, ofwel ze vullen dit zelf gegraven gat in de markt op als ordebewakers. De 'sokaiya' zijn inmiddels een min of meer ingeburgerd fenomeen. Iedereen is het er over eens dat het een kwalijk verschijnsel is. Het merkwaardige is dat de publieke opinie zich tegen de sokaiya richt - die zich daar natuurlijk niet veel aan gelegen laten liggen - en met geen woord rept over de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven dat aan de afpersing toegeeft. Sommigen zien zelfs een positieve kant aan de sokaiya. Er zou een preventief effect van ze uitgaan; ze zouden bedrijven pressen tot een nette en eerlijke bedrijfsvoering. Via een omweg zou dus toch worden bereikt waarvoor een jaarvergadering dient: controle van het bedrijf. Het fenomeen sluit naadloos aan bij de Japanse voorkeur om indirect en via tussenpersonen te handelen. De achterkant van de medaille is natuurlijk dat er voor een kleine aandeelhouder geen gelegenheid is om verhaal te halen. Niet alleen riskeren hij de 'sokaiya' tegen zich te krijgen, ook loopt hij het risico om door de bij de aandeelhoudersvergadering aanwezige politie voor een sokaiya te worden aangezien. Een Japanner is er net zo op gebrand om belangstelling van de politie voor zijn persoon te vermijden - al heeft hij nog zo'n zuiver geweten - als een Japans bedrijf erop gebrand is de aandeelhoudersvergadering zonder incidenten te laten verlopen. In Japan gaat iedereen de confrontatie uit de weg, al staat hij nog zo in zijn recht. De zeldzame keer dat het echt hard tegen hard ging, was dan ook toen er een buitenlander in het spel was. De Amerikaanse speculant T. Boone Pickens, die zich in de Verenigde Staten sterk maakt voor de rechten van de aandeelhouder, wilde zijn kruistocht uitbreiden naar Japan toen hij 25 procent van de aandelen kocht van de autolampen fabrikant Koito. Hoewel hij daarmee de grootste aandeelhouder was, werd hem inzage in de boeken ontzegd. Zijn verzoek om vertegenwoordiging in de raad van bestuur werd afgewezen. Pickens dacht de zaak te winnen door publiciteit te ontketenen over het hem aangedane onrecht. Zijn reputatie in de VS als speculant en raider zat hem daarbij tegen. De bedrijfsleiding van Koito wilde Pickens buiten de deur houden omdat ze hem van greenmail intenties verdacht. Deze houding veranderde niet toen Pickens een anti-greenmail-clausule voor Koito voorstelde om dit argument te ontkrachten. Pickens deed een laatste poging om door het Koito-bestuur gehoord te worden en riep een speciale aandeelhoudersvergadering bijeen. Die mogelijkheid heeft een aandeelhouder als hij minimaal een derde van de uitstaande aandelen bezit. Pickens kocht speciaal voor dit doel nog acht procent extra aandelen in Koito, wat hij zelf een bewijs vond dat hij het serieus meende. Aan het hoofd van een delegatie van veertig Amerikanen deed hij op de aandeelhoudersvergadering een uiterste poging om in de raad van bestuur vertegenwoordigd te worden. Toen Pickens het woord nam, werd hij weggejoeld. De zaal stond plotseling bol van anti-Amerikanisme. De president van Koito liet de vergadering uit de hand lopen. De aanwezige politie moest Pickens en zijn gezelschap veilig de zaal uit loodsen. Er kwam tot zijn teleurstelling geen verontschuldiging, en evenmin viel hem enig medeleven ten deel. Zijn botsing met de sokaiya was voor Pickens aanleiding om te concluderen dat hij de strijd tegen de BV Japan - om zijn eigen woorden te gebruiken - beter kon opgeven. Inmiddels heeft hij zijn belang in Koito van de hand gedaan. Hoewel Pickens de inzet van sokaiya interpreteerde als een zwaktebod van Koito en als bewijs voor zijn eigen stelling dat Koito iets heeft te verbergen, is het incident in Japan heel anders beoordeeld. Hier deed iemand inbreuk op de status quo, en als hem niet goedschiks zijn plaats gewezen kan worden, dan maar kwaadschiks. Conclusies over gelijk of ongelijk, rechtvaardig of onrechtvaardig worden er niet aan verbonden. Eind goed al goed, de rust is hersteld. Zo dienen ook de out-casts in Japan een hoger doel en wordt in zekere zin ook hun optreden in de maatschappij gerechtvaardigd.