Gouden sterren op blauwe achtergrond

We hebben nu dat rode paspoort, niet bestand tegen kwade bedoelingen, maar wel Europees. Het is bijna teleurstellend dat aan grenzen binnen de Europese Gemeenschap nauwelijks nog naar dit document wordt gevraagd. Wie desondanks toch wil uitdragen dat de Europese gedachte hem heeft getroffen, kan het Europese embleem - twaalf gouden sterren op blauwe achtergrond - op de auto plakken. Nu het vlaggen zich in een nieuwe populariteit mag verheugen, verdient het aanbeveling om af en toe de Europese vlag uit te steken. Bij festiviteiten waaraan vertegenwoordigingen uit verschillende lidstaten van de Gemeenschap deelnemen, kan kostenbesparend met deze vlag worden volstaan.

Europa is op de goede weg, schijnt het. Straks helemaal geen douane meer, wel een munt. Kortom, er ontstaat een ruimte waarin het Europese individu zich bij huisvesting, werk, onderwijs en ontspanning even vrij kan bewegen als binnen de oude nationale grenzen. Dat de attractie groot is kan worden afgeleid uit de verhevigde belangstelling voor toetreding in die Europese landen, arm en rijk, die om uiteenlopende redenen tot dusver buiten de Gemeenschap zijn gebleven. Maar met het scheppen van de Europese ruimte dient zich tevens een nieuwe angst aan; angst voor het verlies van het eigene. Dat bewustzijn van het eigene, echt of verondersteld, neemt toe naarmate de integratie voortschrijdt. Doordat Europa nu eenmaal in een groot aantal nationale staten is verdeeld die dat eigene hebben bedacht of vorm hebben gegeven, raakt het gevoel van een dreigend verlies gemakkelijk aan nationalistische sentimenten op het gebied van taal, geschiedenis, recht, onderwijs, binnenlands bestuur, cultuur. Waar kunnen bedreigingen van het eigene beter worden tegengehouden dan aan de staatsgrenzen? Nu een klassieke afweer van het vreemde praktisch moeilijk wordt, ziet men om naar nieuwe middelen. Het subsidiariteitsbeginsel moet hier een uitweg bieden: de redenering dat iedere bestuurslaag zich moet bezighouden met dat wat die laag het beste kan. Maar met de introductie van dat beginsel in de discussie over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten laden de lidstaten de verdenking op zich in de eerste plaats de Gemeenschap zoveel als mogelijk buiten de deur te willen houden. Het begrip is bepaald niet neutraal zoals bijvoorbeeld de steeds weer opvlammende discussies in Nederland over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden over rijk, provincie en gemeente aantonen. Sterk treedt het defensieve karakter van het subsidiariteitsbeginsel op de voorgrond in de opstelling van de Duitse deelstaten met betrekking tot verdergaande Europese integratie. Het uitgangspunt van die deelstaten is dat de zelfstandigheid van bestuur die zij ten opzichte van de federale overheid in Bonn (mogen) handhaven, ook ten opzichte van de communautaire beleidsorganen in stand moet blijven. Zo stelden de hoofden van de deelstaatregeringen in oktober 1987 in Munchen een lijst van tien voorwaarden op waaraan de Europese eenwording moest voldoen om de federale structuur van de bondsrepubliek niet in het gedrang te brengen. Het doel moest zijn een Europa te bouwen waarin wat werd genoemd de culturele eigenheid, de maatschappelijke diversiviteit, een afgewogen economische ontwikkeling en de betrokkenheid van burgers bij het bestuur verzekerd zouden zijn. De leiders van de Duitse deelstaten eisten destijds dat de bevoegdheden van de Lander op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, cultuur, omroep, landbouw, structuurbeleid, kwaliteitsbewaking, consumenten- en bedrijvenpolitiek, alsmede ten aanzien van het wetenschappelijke en technologische onderzoek onaangetast zouden blijven. Het ging erom de veelvormigheid van het nationale culturele leven in stand te houden. Naast het Europa der Staten en dat der Vaderlanden is op grond van het subsidiariteitsbeginsel inmiddels het Europa der Regio's gegrondvest. Dit regionale Europa kwam vorig jaar april op uitnodiging van de premier van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel en vervolgens in oktober in Riva del Garda bijeen. In Brussel waren vertegenwoordigd 27 deelstaten, regio's en autonome gemeenschappen uit zeven EG-lidstaten, alsmede Oostenrijkse deelstaten, Joegoslavische republieken en een Zwitsers kanton. Het Europa der Regio's, zo kwamen de aanwezigen overeen, zou drie bestuurslagen moeten kennen: een Politieke Unie, de daartoe behorende lidstaten en de zichzelf besturende delen van die lidstaten. Op ieder niveau diende een wetgevend en een uitvoerend lichaam met eigen en aparte bevoegdheden actief te zijn. De derde laag, dat der regio's, moest het recht van initiatief en medebeslissing op Europees niveau worden toegekend voorzover rechten en belangen door de wetgeving van de EG zouden worden beroerd. Bovendien diende de regio's een eigen wetgevende vertegenwoordiging op Europees niveau te worden toegekend. Het subsidiariteitsbeginsel lijkt op die manier een tweesnijdend zwaard te kunnen worden. Enerzijds kunnen de lidstaten er hun positie mee verdedigen tegenover de communautaire instellingen, aan de andere kant zouden de regio's, ook in tot dusver meer centraal bestuurde ledenlanden, er een middel in kunnen gaan zien om hun belangen in de eigen en in de Europese hoofdstad nadrukkelijker onder de aandacht te brengen. Een opleving van het activistische regionalisme zoals dat zich in de jaren zeventig voordeed, zou dan geen verrassing meer behoeven te zijn. Ook toen was er overigens een verband tussen die devolutie en het streven om de Europese communauteit van de grond te krijgen. De meest extreme voorbeelden van regionalisme worden aangetroffen in gebieden waar een etnisch-culturele minderheid soms tientallen jaren gedwongen is geweest zich aan te passen aan een centrale alles en iedereen gelijkschakelende macht. Baskenland, Catalonie, Corsica, Ulster komen in gedachten, maar ook Bretagne - en het Italiaanse Alto Adige (Zuid-Tirol) waar staatsgrens overschrijdende verlangens bestaan. Het aan de EG grenzende Joegoslavie is het meest actuele voorbeeld. Het is niet moeilijk begrip op te brengen voor de betekenis van de historische oorsprong van dit uit vrijheidsdrang voortkomende regionalisme. Maar er is reden de eigentijdse argumenten voor het behoud van regionale en nationale waarden met argwaan tegemoet te treden. De Europese eenwording kan niet tot stand worden gebracht als de samenstellende delen, nationale en regionale, zich aan navelstaarderij zouden overgeven. Integreren betekent ook inleveren. Een nieuwe identiteit kan niet ontstaan zonder de oude op te geven of tenminste te relativeren. De onverwachte beschikbaarheid van Oost- en Noord-Europa voor de Europese samenwerking dreigt tot de verkeerde conclusie te leiden dat een losse Europese cooperatie ook een succes is. Maar de discussie daarover is al in de jaren vijftig en zestig beslecht in het voordeel van een doordachte en verdergaande integratie. De bewijslast ligt bij hen die de weg terug willen inslaan.