Gangster in Duckstad

Luilekkerland (My Blue Heaven). Regie: Herbert Ross. Met: Steve Martin, Rick Moranis, Joan Cusack, Carol Kane. In: Amsterdam, Tuschinski 5; Rotterdam, Lumiere 4; Den Haag, Cineac Buitenhof 3; Eindhoven, Rembrandt 5; Arnhem, Palace 2.

Al een jaar of tien hebben filmdistributeurs de onhebbelijke gewoonte afgezworen buitenlandse films te voorzien van een komische bedoelde, steevast nergens op slaande Nederlandse titel. Dat My Blue Heaven van regisseur Herbert Ross nu ineens toch weer Luilekkerland heet, is hopelijk een incident, uitsluitend te wijten aan het voorkomen van mogelijke verwarring met de vorig jaar uitgekomen, alweer bijna vergeten gelijknamige Nederlandse speelfilm van Ronald Beer. My Blue Heaven verwijst in Ross' geval minder naar de vermeend paradijselijke kant van het huisje-boompje-beestje-milieu in een Californisch stadje dan naar de titelsong van Fats Domino, die dienst doet als een bijna brechtiaanse interpunctie van ook door ironische titelkaarten verbonden scenes. Net als in Ross' filmversie van Dennis Potters televisieserie Pennies from Heaven, eveneens met Steve Martin in de hoofdrol, spelen liedjes een commentarierende rol in een sprookje met het realiteitsgehalte van een musical. Maar ook dit keer belemmert de zelfingenomen, cabareteske mannetjesmakerij van Martin het zicht op wat een heel aardige film had kunnen zijn. De gedachte aan een burleske van Woody Allen dringt zich op. Martin speelt een Italiaanse gangster, in het kader van het programma van de FBI om getuigen a charge te beschermen van een nieuwe identiteit voorzien en neergeplant in Nergenshuizen, die weggelopen zou kunnen zijn uit Broadway Danny Rose. Ook de scenariovondst om de drie hoofdpersonen in de eerste akte te laten scheiden past in de hechte structuur van een Allen-film. Zelfs het ironische gebruik van muziek en bekentenissen bevattende titelkaarten wijst in die richting. Ross regisseerde al eens een stuk van Allen (Play It Again Sam) en de al even Newyorkse scenariste Nora Ephron deed in films als Heartburn en When Harry Met Sally ook mislukte pogingen het idioom van Allen te benaderen. Dat de vergelijking opnieuw in het nadeel van Ephron en Ross uitvalt, is in het geval van My Blue Heaven minder erg. Op het eerste gezicht is het een zo absurde onderneming - gewoon weer een film waarin Martin hard zijn best doet leuk te wezen - dat de inventiviteit van scenario en regie eerder als een verrassing uitpakken dan als een falende poging een sprankelende komedie te maken. My Blue Heaven is een opzettelijk kleinschalige oefening in nonsens, die bij voorbaat gedoemd is te struikelen en dan toch nog meevalt. Het is niet alleen een parodie op het milieu van kruimelgangsters, die elkaar onder een nieuwe naam in het favoriete stadje van de FBI opnieuw ontmoeten en hun oude ambacht hernemen, maar er wordt ook kolder uitgehaald met de stijve zonnebril-harken van 'The Bureau'. Leuker nog dan de iele dienstklopper Rick Moranis is zijn fors gebouwde collega William Irwin, die rare dansjes tegen wil en dank maakt als het orkest op instigatie van Martin een merengue inzet. En de collectieve vertolking van Take Me Out To The Ballgame op de tribunes van het stadion is een al even mechanische, bijna tekenfilmachtige gag. Ja zelfs Steve Martin, als een operettegangster die de hele bevolking van Duckstad voor zich weet in te nemen, heeft me dit keer af en toe aan het lachen gekregen. Dat mag in de krant.