Freres Zenith lijken zo weggelopen uit de jaren vijftig; Koddig dansje bij een deuntje

Voorstelling: Les freres Zenith, door Jerome Deschamps & Compagnie. Regie: Macha Makeieff en Jerome Deschamps. Gezien: 26-6 in de Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar t-m 28-6.

Vier malle mannetjes met onnozele hoofden en benen van elastiek - ze zijn bouwvakkers of fabrieksarbeiders of zoiets, de ware aard van hun werkzaamheden blijft onduidelijk. Af en toe verdwijnen ze achter een wand, een soort bouwstelling, en brengen iets in beweging. Regelmatig worden die activiteiten onderbroken door een koffie-, thee-, drank- of lunchpauze. Anderhalf uur langworstelen ze op komisch bedoelde wijze, zonder veel woorden, met alledaagse attributen: een plank, een fles, een draagtrommel, potten en pannen. Een van de vier oogt alsof hij de opzichter is; zijn naam luidt Jerome Deschamps en hij is een in Frankrijk hogelijk waardeerd komisch acteur, die bovendien - samen met zijn compagnon Macha Makeieff - in januari Les Brigands van Offenbach komt regisseren bij de Nederlandse Opera. De slapstick-achtige misverstanden in Les freres Zenith, voor het eerst in Nederland, herinneren aan het repertoire van circusclowns, populaire pantomime-spelers en zwijgende filmkomieken. Veel ervan zijn gebaseerd op het feit dat wij niet weten welke wonderlijke machinerie achter de wand is opgesteld: er klinken zoemers en bellen, er stijgt rook uit op, er komen hoofden boven de rand tevoorschijn en er worden voorwerpen de lucht ingeslingerd. Dat levert een paar vermakelijke effecten op. Als er een menselijke lopende band in actie komt, dringt zich het beeld van Chaplins Modern times even op. Bij vlagen doen de heren ook een koddig dansje bij een deuntje uit de accordeon. Dat is het, zo ongeveer. De voorstelling speelt zich af in een gemoedelijk, soms uitgesproken traag tempo. Voor elke grap wordt flink de tijd genomen; af en toe gaat het vertoonde bovendien gepaard met een discours in een parodistisch soort steno-Frans (ah oui! olala! c'est bien, oui!). Het lome Franse zomerzonnetje, verstrekt door de belichter, maakt het onmogelijk frenetiek of agressief uit de hoek te komen. En dat is meteen mijn belangrijkste bezwaar: het is allemaal zo onschuldig, zo lief, zo naef en zo charmant dat ik gaandeweg het gevoel kreeg naar een produktie uit de jaren vijftig te kijken. Maar nee, de Parijse premiere was in december 1990 en de kranten juichten le gang des gogos du gag toen hartelijk toe.