De SS en de Joodsche Raad

In NRC Handelsblad van 3 juni reageerde L. de Hartog op een citaat uit een interview met mij, gehouden ter gelegenheid van een internationaal symposium georganiseerd door het RIOD.

Ik behandelde aldaar het fenomeen der Judenrate in geheel Europa en bewees dat in feite niet een, maar twee verschillende modellen van door de Duitsers opgelegde colleges hebben bestaan: Judenrate enerzijds, Judenvereinigungen anderzijds. De initiatiefnemer tot het gehele systeem van zulke colleges - de SS, en met name de Judenabteilung van de SD - moest in bepaalde landen meer rekening houden met rivaliserende Duitse bestuursorganen dan in andere. Dat verklaart de verschillen tussen de modellen. De SS zelf gaf echter - als het maar kon - voorkeur aan Judenrate, die mondeling werden opgericht, geen wettelijke verankering hadden en zo goed als totaal afhankelijk waren van de SS. Het opvallende is, dat dit model, dat in Polen en Rusland de regel was, in Westeuropa alleen in Nederland terug te vinden is; Duitsland zelf, Belgie en Frankrijk (alsook enkele satellietstaten zoals Slovakije) kenden het Judenvereinigung-model. In die zin was de situatie in Nederland, wat de Joden betreft, Oosteuropees! Het was het gevolg van het feit, dat in Nederland de SS van meet af aan sterker was dan in de omringende landen. Een opvallend feit is ook, dat alle Judenvereinigungen - onafhankelijk van de persoon die aan het hoofd daarvan heeft gestaan - zonder uitzondering minder hebben hoeven samen te werken dan de Judenrate tijdens de Endlosung der Judenfrage. Ik heb dat uit een structurele invalshoek geprobeerd te verklaren. Inderdaad, dat verlegt de klemtoon van de hoogoplaaiende debatten omtrent de Joodsche Raad (en de Judenrate) van de persoon en het karakter van bepaalde lieden (zoals Asscher, Cohen en hun equivalenten in andere landen) - dus van de leiders van de Joden - naar een andere richting, dat wil zeggen terug naar de Duitsers zelf. Mij, als gevolg daarvan, te verwijten dat ik “onvoldoende inzicht en begrip voor het wezen van de doelstellingen van de Duitsers” heb, vind ik op zijn minst vreemd. Zo een verwijt wijst meer in de richting van onzorgvuldig lezen van de samenvatting van mijn betoog, alsook in de richting van gebrek aan bekendheid met de situatie in overig bezet Europa.