Commissie: vast aantal titels voor eindexamen Nederlands op school

ROTTERDAM, 27 JUNI. HAVO- en VWO-leerlingen zullen in de toekomst voor hun eindexamen Nederlands wel een vastgesteld aantal boeken moeten lezen, maar in de keuze van de titels zijn ze vrij. De literatuurlijst van HAVO-kandidaten zal vijftien boeken moeten bevatten vanaf 1916, VWO-leerlingen moeten 25 literaire werken lezen uit de periode vanaf 1170 tot heden.

Dat staat in het definitieve advies voor de herziening van het eindexamenprogramma Nederlands voor HAVO en VWO dat de commissie-Braet vandaag heeft aangeboden aan staatssecretaris Wallage (onderwijs). Vorig najaar werd een felle discussie gevoerd over een voorstel van een aantal hoogleraren Nederlandse taal- en letterkunde om leerlingen een boekenlijst voor te schrijven met een twintigtal vaste titels van 'representatieve literaire kwaliteit'. Dit voorstel heeft de commissie Braet na raadpleging van een groot aantal docenten Nederlands naast zich neergelegd. Schrijfvaardigheid zal een grotere plaats innemen in het nieuwe examen Nederlands en zal meer dan voorheen gericht zijn op 'functionele schrijfopdrachten', zoals het schrijven van een betoog voor een bepaald lezerspubliek. Zowel voor HAVO als VWO zal het verhalende opstel, tot nu toe de meest vrije schrijfopdracht, uit het centrale eindexamen verdwijnen. Nieuw in de voorstellen is ook een onderdeel 'taalkunde' voor VWO-leerlingen. Aan de hand van een tekst over een taalkundige onderwerp moeten de leerlingen 'verantwoorde uitspraken' doen over taalverschijnselen en taalkwesties. Met het onderdeel zal eerst een aantal jaren worden geexperimenteerd. De onderdelen 'tekstverklaring' (HAVO) en 'samenvatting' (VWO) zullen worden vervangen door een voor beide schooltypen gelijk onderdeel 'leesvaardigheid'. Leerlingen zullen worden beoordeeld op vaardigheden als interpreteren, analyseren en samenvatten. In de voorstellen zijn examenonderdelen- en vormen voor HAVO en VWO gelijk. Het verschil zal tot uitdrukking komen in de moeilijkheidsgraad van de opdrachten. De voorstellen worden voor advies naar de onderwijsorganisaties gestuurd. Daarna neemt staatssecretaris Wallage een definitief standpunt in.