Buitenlandse beleggers hebben buik vol van India

BOMBAY, 27 JUNI. Op de invoer van een buitenlandse auto staat in India 200 procent belasting. Een vergelijkbaar percentage wordt geheven op andere luxe invoer-produkten. Goed voor de Indiase staatsindustrie: geen concurrentie, slecht voor de Indiers: ze zitten opgescheept met inferieure produkten. De hoge tariefmuren, tegenwerking bij investeringen en de duizend-en-een- bepalingen baren de Indiase zakenwereld grote zorgen. De kersverse regering van Narasimha Rao moet, zo vinden managers van prive-ondernemingen in Bombay, 's lands financiele centrum, in snel tempo dereguleren en een einde maken aan de wurgende staatsbemoeienis, dat is de enige uitweg uit de huidige economische crisis.

India's economie bevindt zich in de diepste crisis in haar geschiedenis, die, dat beseft Delhi ook, niet meer zonder hulp van buitenaf kan worden opgelost. In 1990 liep het begrotingstekort op tot 9 procent van het BNP. In de eerste helft van dit jaar ontstond een nijpend gebrek aan buitenlandse valuta en een tekort op de betalingsbalans. De buitenlandse schuld bedraagt 70 miljard dollar, valuta om invoer te betalen zijn op. De vorige regering was al zover gegaan om twintig ton geconfisqueerd goud, afkomstig uit het smokkelcircuit, te verkopen. De afgelopen tien jaar kende India een redelijke groei, met een gemiddelde van vijf procent (tegen 3 procent in de decennia daarvoor), maar een dergelijk percentage heeft een land met een snel groeiende bevolking ook nodig. Premier Rao waarschuwde de Indiers begin deze week dat er zwaar weer op komst is: de overheid zal moeten bezuinigingen om uit de crisis te komen. Bezuinigen is ook een voorwaarde voor een lening van het IMF (nternationaal Monetair Fonds) die, zo zei minister van financien Manmohan Singh gisteren, zijn regering zeker zal aanvragen. Singh wilde geen bedrag noemen; Indiase economische bronnen menen dat het gaat om 5 a 7 miljard dollar voor de komende drie jaar. India is een van de meest protectionistische landen ter wereld, dat ziet men meteen in het straatbeeld waar vrijwel geen auto's van buitenlandse makelij rijden. Indiers hebben hun eigen Ambassadors en Premiers. Het zijn mooie, ouderwetse wagens met ronde vormen, chromen versieringen en de versnellingspook aan het stuur, maar ze zijn hopeloos verouderd. De enige mogelijkheid om in een goede buitenlandse auto te rijden is een duurdere Suzuki Maruti te kopen, die onder licentie in India wordt vervaardigd. Het kleine autootje mag zich verheugen in een grote populariteit. Suzuki is de enige buitenlandse autofabrikant die zich op grote schaal op de Indiase markt heeft gestort. Een sector is sinds enkele jaren gevrijwaard van de strenge invoerbepalingen, de motor- en brommerindustrie. Japanse motorige tweewielers worden in grote aantallen gereden in India. Viren Shah, 'managing director' van Mukand Iron and Steel Works in Bombay, en tevens lid van het Hogerhuis voor de rechtse hindoepartij BJP (Bharatiya Janata Party), meent dat India de internationale concurrentie moet aangaan en zijn grenzen moet openstellen. Shah zegt dat “dertig jaar van protectionisme onder het Nehru-Gandhi socialisme” India in de huidige, vervallen staat heeft gebracht. Mukand behoort tot de Bajaj-groep, die ondere andere de in heel Zuidoost-Azie bekende driewielige scootertaxi - die naar de grondlegger van het concern, het eponiem bajaj draagt - maakt. Bajaj is een van de weinige Indiase bedrijven die, door het typische produkt, bestemd voor een beperkte markt, met succes kunnen exporteren. “Dank zij het strenge interventionisme van de staat werden economische uitvluchten in India altijd afgesneden en diepteinvesteringen onmogelijk gemaakt. Voor een prive-bedrijf nam het vaak drie tot vier jaar om toestemming te krijgen voor minimale investeringen. Na 1970 kwamen daar de corrupte praktijken van politici en ambtenaren bij”, klaagt de politicus-zakenman in een lange monoloog. Shah zegt altijd een tegenstander van de politiek van de Congrespartij te zijn geweest. In 1977 zat hij tien maanden vast toen Indira Gandhi de noodtoestand had uitgeroepen en hij als lid van de BJP als 'staatsvijandelijk element' te boek stond. De komst van Rajiv Gandhi betekende volgens Shah een verbetering, maar Gandhi was ook niet bij machte de noodzakelijke deregulering tot stand te brengen, meent hij. “Er veranderde wel wat, maar Gandhi kon het apparaat in zijn eigen partij en de bureaucratie niet ver genoeg krijgen, waardoor er een halfslachtig beleid uitkwam.” De liberalisering onder Gandhi ('84-'89), voortgezet door de linkse regering van V.P. Singh ('89-'90) betekende wel dat Mukand kon uitgroeien tot het grootste staalconcern van India en zelfs met export kon beginnen, onder meer via de Rotterdamse haven. Voor Indiase begrippen is het nu een groot bedrijf met een omzet van 300 miljoen dollar per jaar. “Toch is het heel goed mogelijk alle knellende maatregelen weg te nemen en de economie te bevrijden, zoals al in zoveel landen is gebeurd met een socialistische en semi-socialistische geschiedenis”, aldus Shah, “maar Delhi moet wel haast maken met herstructurering en deregulering van de economie, anders is het te laat.” Het liefst had hij een regering gezien waarin zijn eigen partij het voor het zeggen had. Want als het aan de BJP ligt krijgt India een vrije-markteconomie. Ondanks het feit dat de BJP bij de jongste verkiezingen een forse winst van tien procent boekte, terwijl de Congrespartij percentueel achteruitging, bevindt de hindoepartij zich ten gevolge van het districtenstelsel niet in een positie waarin het macht kan uitoefenen. Het is andermaal de Congrespartij die de dienst uitmaakt. Indiase ondernemers zijn van mening dat de nieuwe premier, Narasimha Rao, er niet onderuit kan India te leiden naar een opener economie, maar Rao's verleden als trouwe nehrust baart velen zorgen. M.S. Patwardan, vice-president van NOCIL, voor 33 procent eigendom van de Koninklijke Shell (joint venture), had graag Sharad Pawar, de leider van de Congrespartij in Bombay, als nieuwe premier gezien. Pawar (50) staat bekend als iemand die de Indiase economie drastisch wil hervormen. “We moeten maar weer afwachten met deze regering”, verzucht Patwardan in zijn koele directiekamer. Hij is een groot voorstander van het internationaliseren van de economie, maar loopt al jaren vast op de klippen van politieke onwil en bureaucratie. Het petrochemische bedrijf heeft twee vestigingen in India, met een omzet van 250 miljoen dollar per jaar, allebei in de buurt van Bombay en zou deze graag willen uitbreiden. Een voorstel daartoe is al jaren geleden ingediend, maar circuleert nog steeds in de kringen van de Indiase bureaucraten. Patwardan: “Dit is een goed voorbeeld hoe het in dit land toegaat. 'Small is beautiful' is het credo. Men kan moeilijk wennen aan het idee dat er grote bedrijven, zelfs multinationale bestaan. Met onze nieuwe investering zou meer dan anderhalf miljard dollar zijn gemoeid, een record in de Indiase geschiedenis. Vijaj Kumar, een economisch analist in Bombay, kan zich kostelijke vermaken om de angst onder Indiase bureaucraten voor 'het buitenlandse kapitaal'. “Overheidsfunctionarissen denken dat het openen van de grenzen een stroom van buitenlandse investeerders op gang zal brengen, die ons land binnen de kortste keer zullen runeren. Dat valt heus wel mee, wie wil er nu investeren in zo'n land. Buitenlanders hebben hun buik vol van India omdat alles hier zo lang duurt. We zijn een hopeloos geval geworden.”