Beurs Parijs wil Londen verslaan

AMSTERDAM, 27 JUNI. Frankrijk, sedert zeven jaar bezig met een snelle en grondige revisie van haar financiele markten, wil zich ten koste van Londen ontwikkelen tot een centrum voor de handel in de driehonderd grootste Europese beursfondsen.

De effectenbeurs van Parijs maakte eind vorige week in Amsterdam reclame voor Eurolist, een lijst van 200 a 300 grote Europese fondsen die op alle Europese beurzen verhandeld zal worden, maar bij voorkeur in Parijs. “We beschikken nu over alle instrumenten die een eerste-klas financieel centrum nodig heeft”, stelt Jean-Franois Theodore, voorzitter van de Societe des Bourses Franaises, ofwel de Parijse effectenbeurs. Inzet van de strijd tussen de drie belangrijkste financiele centra in Europa - Londen, Parijs en Frankfurt - is de handel in de grootste en meest liquide Europese aandelen. Londen, dat vele internationale financiele instellingen herbergt, wist die handel grotendeels naar zich toe te lokken, terwijl de continentale beurzen worstelden met hoge commissies en stoffige regelgeving. Londen beschikte daarentegen over een modern systeem van schermenhandel, SEAQ International. De Franse aandelenmarkt heeft zich volgens kenners echter sedert la grande boum begin jaren tachtig ontwikkeld tot een van de meest efficiente handelssystemen ter wereld. Het zogenoemde CAC-systeem is afgekeken van het handelssysteem van de beurs in Toronto en verder ontwikkeld. Voor de afwikkeling en betaling van effectentransacties beschikt Parijs sedert vorig jaar over het elektronische Relit-systeem, dat de pogingen van Londen een soortgelijk systeem voor clearing en settlement te ontwikkelen in de schaduw stelt. De Franse markt voor staatsobligaties is een van de meest liquide ter wereld. Volgens ruwe schattingen heeft de handel in sommige Franse blue chips voor bijna de helft in Londen plaats. Die schattingen acht Theodore “zwaar overdreven”. Parijs wint volgens hem op het moment terrein ten opzichte van Londen. “Steeds meer internationale beleggers, zoals recentelijk het Amerikaanse effectenhuis Philips & Drew, verstigen zich in Parijs. Amerikaanse pensioenfondsen ontdekken de liquide Franse markt.” Vorig jaar was 34 procent van de op de Franse beurs genoteerde aandelen in buitenlandse handen, tegen 19,4 procent in 1988. De obligatieportefeuilles van buitenlandse beleggers beliepen een bedrag van circa 260 miljard franc, tegen 48 miljard in 1988. Theodore geeft toe dat Frankrijk nog enkele hindernissen moet overwinnen. “Een gebrek aan besparingen en de bijna-afwezigheid van een systeem van pensioenfondsen zijn de grootste obstakels bij een verdere groei van de Franse financiele markten.” De komst van de Amerikaanse instituten is belangrijk voor Parijs, omdat Frankrijk vrijwel geen pensioenfondsen kent. Het Franse pensioensysteem werkt op basis van een omslagstelsel. Het systeem van sociale zekerheid heeft geen reserves opgebouwd voor toekomstige pensioenverplichtingen. Bedrijfspensioenfondsen bestaan vrijwel niet. Theodore meent dat die situatie binnen enkele jaren zal veranderen. Hij wijst daarbij ondermeer op een voorstel van het Franse verbond van verzekeraars een systeem van collectieve pensioenfondsen te ontwikkelen zoals in de VS, Groot-Brittannie en Nederland bestaat. Parijs is een voorstander van samenwerkingsprojecten tussen de Europese aandelenmarkten, maar dan vooral als het eigen initiatieven betreft zoals Eurolist en Euro-index. Theodore reageert terughoudend op de vraag of Euroquote, het gezamenlijke informatieproject van de twaalf EG-beurzen, nog van de grond zal komen. Grootste dwarsliggers zijn Londen en Frankfurt. Londen ziet zijn eigen koersinformatiesysteem SEAQ bedreigt door de ontwikkeling van Euroquote. Frankfurt daarentegen wil de koers- en bedrijfsinformatiefase overslaan en meteen een Europees handelssysteem ontwikkelen. De Fransen zien Euroquote in de eerste plaats als een promotie-verhikel voor Eurolist en de daarmee samenhangende harmonisering van de toelatingsregels op de diverse beurzen. Theodore veert op als het gesprek komt op het Franse initiatief Eurolist, dat voorziet in een lijst van twee- a driehonderd Europese blue chips, die volgens dezelfde voorwaarden op alle beurzen toegelaten zullen worden. “Het grootste deel van de Europese beurzen steunt ons. Medio 1992 gaat Eurolist van start”, zo meent de Fransman optimistisch. Dat de Britten hier niet enthousiast over zijn is begrijpelijk. Eurolist zou voor de belangrijke Europese aandelen een veel hogere transparantie bieden voor buitenlandse beleggers. Grote beleggers uit Japan en de VS zouden door Eurolist best wel eens in de verleiding kunnen komen direct op de Europese beurzen - allereerst Parijs - zaken te doen en Londen over te slaan. Parijs heeft ook het initiatief genomen voor het project Euroindex, dat op termijn zou moeten leiden tot de handel in opties op een index van de belangrijkste Europese aandelen. De optiebeurs EOE in Amsterdam (Eurotop) en de termijnmarkt Liffe in Londen (Eurotrack) concurreren sedert vorige maand met elkaar in de handel op een Europese index. Voorzitter Alain Morice van de Franse optiebeurs Monep, vorige week ook aanwezig in Amsterdam, ziet deze strijd tussen Londen en Amsterdam met genoegen aan. “Grote beleggers, die behoefte hebben aan een dergelijk produkt voor het afdekken van koersrisico's, zijn niet genteresseerd in Eurotop en Eurotrack wegens de te geringe liquiditeit.” Hij meent dat de Britten en Nederlanders te vroeg zijn gekomen met hun Europese index. “Euroindex, dat we in federaal verband zullen ontwikkelen, zal een beter produkt zijn, te verhandelen op de Monep die wat de indexcontracten betreft de meest liquide markt van Europa is.” De Monep is bij de handel in indexopties de grootste van Europa. Vorig jaar resulteerde de handel in opties op het CAC-40-koersgemiddelde in een premie-omzet van 15,2 miljard franc. De omzet in indexopties beliep op de Britse optiebeurs LTOM (Londen) en de EOE in Amsterdam respectievelijk 12 en 5 miljard franc.