Bagdad geeft zich niet zonder slag of stoot over aan ontwapening; Irak heeft meer wapens dan het aanmeldt

De Iraakse regering is duidelijk niet van plan zich zonder slag of stoot te onderwerpen aan de bepalingen van resolutie 687 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die voorziet in de eliminatie van haar massa-vernietigingswapens. Het spectaculairste bewijs daarvan was wel haar weigering, tot tweemaal toe, een groep inspecteurs van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) toegang te verlenen tot een vermeende nucleaire installatie op de militaire basis Abu Gharaib, aan de rand van Bagdad. Toen de inspecteurs gisteren uiteindelijk werden toegelaten was volgens het IAEA het materiaal dat zij wilden controleren verwijderd. Amerikaanse diplomaten bij de VN zeiden gisteren dat dit materiaal eerst in het geheim uit andere delen van het land naar de basis was overgebracht en toonden luchtfoto's waaruit dat zou blijken.

ALLEREERSTE BEGIN

De Iraakse obstructie begon bij het allereerste begin, met de opgave die Irak op 18 april aan de VN deed van zijn voorraden en mogelijkheden tot produktie van chemische, nucleaire en biologische wapens en ballistische raketten. Deskundigen waren verrast over de hoeveelheden chemische raketten, granaten en bommen en mosterd- en zenuwgas die het land nog bleek te bezitten na de bombardementen tijdens de oorlog om Koeweit. Tegelijk meldde Bagdad geen biologische of nucleaire wapens te bezitten, noch materiaal of faciliteiten om die te vervaardigen. Een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken meende dat de lijst “in veel opzichten (..) aanzienlijk verwijderd lijkt van de werkelijkheid”, waarbij hij doelde op de biologische en nucleaire kanten van de zaak. Een functionaris van het Witte Huis reageerde echter lakoniek: “Niemand is bijzonder verbaasd dat ze in de eerste ronde niet erg tegemoetkomend zijn”, zei hij. Het IAEA - dat Iraks kernwapenfaciliteiten moet opsporen en ontmantelen - herinnerde Irak aan het feit dat het niet eens zijn officiele voorraad hoog-verrijkt uranium had opgegeven die in november nog door zijn inspecteurs was gecontroleerd, en sommeerde Bagdad met een nieuwe opgave te komen. Daarop verrasten de Irakezen de deskundigen opnieuw, ditmaal met een gedetailleerde lijst van 24 nucleaire faciliteiten waarvan er verscheidene tot dan niet bij het IAEA bekend waren. Achttien daarvan waren overigens bij de bombardementen van januari- februari verwoest. Voorts meldde Irak in het bezit te zijn van bijna tweemaal zoveel hoog-verrijkt uranium als bekend was. “Dit is totale capitulatie”, zei een Amerikaanse regeringsfunctionaris. Maar tegelijk wierp Irak een nieuwe hindernis op. Het meldde dat het een deel van zijn nucleair materiaal tijdens de vijandelijkheden van januari-februari had verplaatst, en het wilde de huidige precieze lokatie pas bekendmaken als het garanties kreeg tegen een vijandelijke luchtaanval. Pas nadat een bezoekende groep inspecteurs half mei had gedreigd naar huis te gaan en de speciale commissie van de Veiligheidsraad die toeziet op de eliminatie van Iraks massa-vernietigingswapens had gedreigd alle operaties op te schorten - wat zou waarborgen dat Bagdad geen enkele kans zou maken op versoepeling van de economische sancties - bond het regime in. De sanctiecommissie stemde vervolgens in met een verzoek van Irak om vrijgave van een deel van zijn in het buitenland bevroren tegoeden.

NIET DE HELE WAARHEID

Toen kwamen de Verenigde Staten met informatie van een overgelopen Iraakse kerngeleerde die Washington gegevens had verschaft over geheime nucleaire installaties in het noorden van Irak, bij Mosul. Of zjn gegevens helemaal betrouwbaar zijn is niet duidelijk. Maar de speciale VN-commissie polste voor de zekerheid diverse regeringen die - via eerdere al dan niet legale leveranties ten bate van Iraks bewapeningsprogramma - op de hoogte zouden kunnen zijn van eventuele geheime faciliteiten. Meer en meer begon de indruk te heersen dat Irak ook in zijn tweede opgave, die van de 'totale capitulatie', niet de hele waarheid had verteld. De inspecteurs van het IAEA die zondag en dinsdag werden geweerd van de militaire basis Abu Gharaib hadden onder andere tot taak diverse locaties te bezoeken die net op Bagdads tweede lijst stonden. Abu Gharaib was er trouwens een van. Volgens een delegatielid was een van deze faciliteiten tijdens een eerste inspectiemissie in mei gedentificeerd, en waren er sindsdien “nog verscheidene” ontdekt. Hij gaf geen bijzonderheden. Opmerkelijk was dat de Iraakse autoriteiten twee verschillende verklaringen gaven voor het weren van de inspecteurs. De basis was gewoon gesloten in verband met de vrije dagen rondom het islamitische Offerfeest, zei de Iraakse VN-ambassadeur. Minister van buitenlandse zaken Ahmed Hussein al-Khudayer voerde aan dat de basis niet onder het Iraakse Atoom Energie Agentschap valt, en dat het niet mogelijk was er binnen te gaan zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten. Hij voerde het Offerfeest als bijkomende factor aan. De feestelijkheden verhinderden de militairen op de basis trouwens niet druk door te werken, zo hadden de inspecteurs opgemerkt. In de tussentijd hadden diplomaten in New York gemeld dat Irak ook veel meer chemische wapens had dan de 11.000 die eerder al de deskundigen hadden verbaasd. Dat hadden Iraakse functionarissen toegegeven tegenover deskundigen van de speciale commissie. Geheim netwerk Hoe verwezenlijkte Irak ook al weer voor de oorlog om Koeweit zijn zelfs voor Middenoosterse begrippen ambitieuze bewapeningsprogramma? Onder aanvoering van de minister van industrie en militaire industrialisatie, Saddam Husseins sluwe schoonzoon Hussein Kamel Hassan, was in het Westen een geheim netwerk opgezet van overgenomen of speciaal opgerichte bedrijven die Irak onderdelen en militaire technologie leverden. Voorts maakte het ministerie behendig gebruik van mazen in Westerse wetten die leveranties van gevoelig materiaal aan landen als Irak verboden, en spreidde het zijn orders over zoveel mogelijk leveranciers in zoveel mogelijk landen. Soms kwam dergelijke activiteit aan het licht, zoals in het geval van het superkanon, waarvoor onder andere door bedrijven in Groot-Brittannie, Zwitserland, Belgie, Nederland en Duitsland onderdelen bleken te worden geleverd. Hussein Kamel Hassan is in april benoemd tot minister van defensie; zijn toenmalige plaatsvervanger heeft hem op zijn oude ministerie opgevolgd. Algemeen is deze wijziging beschouwd als versterking van zijn positie en inleiding tot nieuwe, nog beter gecoordineerde inspanningen om Iraks bewapening ten minste op peil te houden. Voorspeld werd dat hij met behulp van zijn oude netwerk zou proberen de ontmanteling van Iraks militaire complex te ontduiken.