Angst voor inflatie

Prijsinflatie? Daarvan hebben we lang niet van gehoord; wat was dat ook alweer? In de periode 1984-1988 stegen de prijzen in Nederland jaarlijks gemiddeld met maar 0,7 procent. Op de wereldranglijst van landen met de laagste inflatiecijfers nam Nederland daarmee een fraaie vijfde plaats in. Aan kop stond Saoedie Arabie, waar het prijspeil met ongeveer 1,5 procent per jaar daalde. De grootste inflatiemakers in die periode moeten we zoeken in Latijns Amerika: Brazilie (390 procent gemiddeld per jaar), Argentinie (444 procent) en Nicaragua (540 procent).

Voor het meten van de Nederlandse prijsinflatie gaat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit van een standaardpakket goederen en diensten: woonlasten, eten en drinken, vervoer, verzekeringen enzovoort. Stel dat dit standaardpakket op 1 januari 1991 30.000 gulden kostte. Dat waren dus de kosten van levensonderhoud voor een 'gemiddeld' Nederlands gezin (man, vrouw, twee kinderen, bruto inkomen 48.500 gulden). In de loop van 1991 wordt een aantal artikelen duurder, maar er zijn ook produkten die juist een beetje goedkoper worden. Resultaat: op 1 januari 1992 kost datzelfde pakket 31.200 gulden ofwel 1.200 gulden meer. Het standaardpakket is daarmee in de loop van 1991 vier procent (1.200 gulden-30.000 gulden x honderd procent) in prijs gestegen. De prijsinflatie over 1991 bedraagt dus vier procent. Dat cijfer heeft overigens maar een betrekkelijke betekenis. Het geldt alleen voor een gezin dat precies het CBS-standaardpakket koopt. Een veel fietsende gezondheidsfanaat zal minder last hebben van de prijsinflatie dan een dichtgeslibde kettingroker die niet uit z'n auto is te branden. Van de gestegen benzineprijs en de hogere accijns op tabak merkt de een weinig en de ander veel. Het ligt eraan hoe je je inkomen uitgeeft. Toch speelt dat inflatiecijfer een grote rol bij de loononderhandelingen. En daarbij gaat het dan vooral om de verwachte prijsinflatie. Loonovereenkomsten tussen werkgevers en werknemers worden afgesloten voor een periode van een of twee jaar. Werknemersonderhandelaars zullen voor hun leden minimaal een loonstijging willen die gelijk is aan de verwachte prijsinflatie voor die periode. Dan blijft de koopkracht van de lonen op peil. In de afgelopen maanden sleepten de werknemersorganisaties loonsverhogingen van 3,5 tot 4 procent uit het vuur. Handenwrijvend presenteerden ze dit resultaat aan hun achterbannen. Het Centraal Planbureau (CPB) voorspelde immers in september 1990 en nog eens in april van dit jaar dat de prijsinflatie in 1991 niet meer dan 2,5 procent zou bedragen. De afgesproken loonsverhogingen zouden werknemers niet alleen hun koopkracht garanderen, ze zouden er zelfs nog een beetje reeel op vooruit gaan. Twee weken geleden kwam de domper. Het CPB kwam naar buiten met nieuwe voorspellingen: in 1991 zullen de prijzen niet met 2,5 procent, maar met 3,5 procent stijgen. En voor 1992 moet zelfs worden gerekend op ruim vier procent prijsinflatie. Het Planbureau gaat bij het maken van zijn voorspellingen uit van een aantal veronderstellingen. Een daarvan is de koers van de dollar. In het Centraal Economisch Plan van afgelopen april baseerde het CPB zich op een dollarkoers van 1,65 gulden. Wie zich ook maar enigszins bezighoudt met de economische werkelijkheid wist dat de koers op dat moment dicht tegen de twee gulden aanzat. Die hogere dollarkoers heeft gevolgen voor de prijzen die wij voor buitenlandse produkten moeten neertellen. Onze import uit de Verenigde Staten wordt duurder, maar dat is niet het enige. Veel belangrijke grondstoffen, zoals aardolie, worden op de wereldmarkt genoteerd in dollars. Een hogere dollar betekent dus ook een hogere olieprijs. Hogere invoerprijzen tikken vanzelfsprekend door in hogere binnenlandse prijzen. Een duurdere dollar leidt zo onvermijdelijk tot extra prijsinflatie. Waren de vakbondseconomen misschien vergeten die boodschap mee te geven aan de onderhandelaars? Op zich is een kleine stijging van het inflatietempo niet zo'n ramp. Het is een verschijnsel dat zich in vrijwel alle industrielanden voordoet. En met jaarlijkse prijsstijgingen van gemiddeld drie a vier procent valt best te leven. Waar het vooral om gaat is hoe we op die versnelling van de prijsinflatie reageren. Van die reactie zal het afhangen of Nederland greep kan houden op zijn prijspeil. Tot voor kort leefde de gedachte aan inflatie niet in Nederland. Het risico bestaat dat met de bescheiden opleving van de prijsinflatie de geest uit de fles is. Dat in komende loononderhandelingen werknemers bij het stellen van hun looneisen voor alle zekerheid maar uitgaan van een beetje extra prijsstijging. Daardoor ontstaan loonsverhogingen die werkgevers niet kunnen trekken. Die zullen op hun beurt de gestegen loonkosten doorberekenen in hun produktprijzen, hetgeen weer leidt tot hogere lonen, enzovoort. En daarmee zitten we dan in de zo gevreesde loon-prijsspiraal. Kortom: de angst voor prijsinflatie wordt zo vanzelf waarheid.