A tale of two cities

Niet alleen in Frankrijk, ook in Engeland werd in de jaren 60 van de 17de eeuw druk geexperimenteerd met nieuwe systemen van wagenvering. Ze werden in 1664-'67 op hun waarde getoetst door de 'Royal Society'; in dat kader werden de rijtuigveringen van 'Colonel Blunt' op 1 mei 1665 onderzocht door een commissie waar ook de dagboekschrijver Samuel Pepys deel van uitmaakte. Hij was op 15 februari van dat jaar lid van de 'Royal Society' geworden.

Hij schreef over dit onderzoek: ''I met my Lord Brouncker (voorzitter van de Royal Society), Sir Robert Murray, Dean Wilkins, and Mr. Hooke going by coach to Colonel Blunt's to dinner... after dinner to the trial of some experiments about making of coaches easy. And several we tried; but one did prove mighty easy, not here for me to describe, but the whole body of the coach lies upon one long spring, and we all, one after the other, rid to it; and it is very fine and likely to take. Thence to Deptford, and in to Mr. Evelyn's (een andere beroemde dagboekschrijver), which is a most beautiful place; but, it being dark and late, I stayed not; but Dean Wilkins and Mr. Hooke and I walked to Redriffe; and noble discourse all day long did please me.'' Hij kreeg op 5 september 1665 nog een keer de gelegenheid de geveerde wagen van Blount te proberen: ''After dinner comes Colonel Blunt, in his new chariot made with springs, as that was of whicker, wherein awhile since we rode at his house. And he hath rode, he says, now this journey, many miles in it with one horse, and outdrives any coach, and outgoes any horse, and so easy, he says. So, for curiosity, I went into it to try it, and up the hill to the heath, and over the cartruts, and found it pretty well, but not so easy as he prentends.'' Het is spijtig dat Pepys oordeelde dat hij dit excellente veersysteem niet hoefde te beschrijven, maar het weinige dat hij er over schrijft doet sterk denken aan de op het horizontale leren riemen rustende sjees, zoals die toen in Frankrijk opkwam, en die ook nu nog in ons land op feestdagen wel gebruikt wordt. Het voordeel van de horizontale leren riem ten opzichte van de ophanging aan de min of meer verticale riemen is dat de kracht die in de horizontale riemen wordt opgeroepen veel groter is dan de mechanische belasting door het gewicht van de wagenbak en de passagier. Bij min of meer verticale riemen is die kracht slechts iets groter dan de mechanische belasting, en die riemen rekken dan ook maar weinig, terwijl de horizontale riem wel behoorlijk rekt en daardoor ook een soepeler vering geeft. Begin 1668 was Lodewijk Huygens bezig een rijtuig te laten bouwen in Den Haag volgens eigen ontwerp, terwijl zijn in Parijs wonende broer Christiaan er over dacht om ook zoiets te doen, maar nog in het stadium van voorontwerpen was. Beide rijtuigen moesten tweewielig verende sjezen worden. Van Lodewijks sjees weten we alleen maar iets af door de commentaren van zijn broer Christiaan, die van mening was dat de vering van de 'bogen' (arcs) waar de wagenbak aan de achterzijde aan was opgehangen te stug zou zijn, en dat het uiteindelijke ontwerp veel van de oorspronkelijke eenvoud had verloren. In elk geval werden daar dus geen horizontale riemen toegepast, hoewel dat in Christiaans sjees wel zou gebeuren, maar hij aarzelde lang voor hij tot een definitief ontwerp kwam. Ten slotte hakte hij de knoop door: in zijn brief van 2 februari 1668 vroeg hij aan Lodewijk om hem de afmetingen van zijn sjees toe te sturen, daar hij het besluit had genomen om in het voorjaar een dergelijk rijtuig in Parijs te laten bouwen. Maar een ontmoeting die hij niet lang daarna had met een 'grand machiniste en cette matiere nommeM. Franchine' (de Italiaanse architect Francini) maakte hem wel ongerust. Deze vertelde hem namelijk dat hij uit ervaring wist dat hij een sjees waarvan de bak boven de as was geplaatst - zoals, ondanks eerdere bezwaren die hij daartegen had, kennelijk het geval was bij Huygens' ontwerp - 'les secousses a coste' bij het rijden over een hobbelige weg uiterst vermoeiend waren. Zoals we zullen zien blijkt uit de remedie die Huygens voorstelde, dat hij hiermee het aan weerszijden op en neer stoten van het rijtuig bedoelde, niet het zijdelings heen en weer schudden. Hij dacht dat de door zijn broer Lodewijk bedachte vering het effect nog zou verergeren. Dit aan weerskanten stoten tijdens het rijden, een beweging waar hij kennelijk niet eerder aan had gedacht, liet Christiaan niet meer los. Het vertraagde het plaatsen van de order bij een wagenmaker: pas op 6 april '68 kon hij schrijven dat hij dat in de afgelopen week gedaan had. Ondertussen wachtte hij vol ongeduld op berichten van broer Lodewijk over de ervaringen die hij had opgedaan bij zijn eerste reis met zijn zelf-ontworpen sjees. Die bleek inderdaad vrij sterk te lijden aan het euvel van het vermoeiend stoten tijdens het rijden. Christiaan hoopte dat bij zijn eigen ontwerp binnen de perken te houden door de twee wielen zover mogelijk uit elkaar te zetten, en door de vier voet lange, bijna horizontale riemen waar de wagenbak van achteren aan hing naar een enkel punt op het onderstel te voeren. Hij illustreerde dit in een schetsje bij zijn brief van 22 juni '68. Zijn rijtuig was bijna klaar, en hij had er al voorlopige proeven mee gedaan door het over de zeer hobbelige weg voor zijn huis door een knecht heen en weer te laten duwen. Hij was niet ontevreden over het voorlopige resultaat, maar aan het einde van zijn brief merkte hij wel op ''dat de ruwheid van het plaveisel in Parijs iets geheel anders is dan in onze steden, omdat het uit veel groter blokken bestaat, die (bovendien) door het grote aantal karossen en karren op een verbazingwekkende wijze wordt verergerd''. De voorzichtige tevredenheid over het eigen ontwerp duurde nog geen week: op de 29ste schreef hij zijn zwager Doublet een brief, waarin na de aanhef: 'Signor Fratello,' de volgende schertsende volzin komt, die ik zo letterlijk mogelijk in het Nederlands weergeef: ''Daar de faam zich tot in dit land verspreid heeft van een blauwe caleche waarvan U de uitvinder bent, waar ons wel de deugden maar niet de vorm van bekend zijn, wordt U zeer nederig gesmeekt om enige opheldering, niet alleen om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar ook opdat wij de constructie mogen imiteren als die verkieslijk blijke boven die van een twintigtal andere die men hier gemaakt heeft, opdat wij, wat des wagens betreft, van dezelfde geneugten van het leven mogen genieten als uwe Heerlijkheid. Amen.'' Hij vroeg om de bijzonderheden van dit vierwielige rijtuig omdat de vering van zijn eigen nieuwe sjees weliswaar zacht was, maar niet zacht genoeg voor de erbarmelijke bestrating van de Faubourg St. Germain waar hij woonde. Een vierwielig rijtuig zou maar half zo diep wegzakken als een wiel in een kuil kwam als een tweewielig, en bovendien had Christiaan ontdekt dat het zelf mennen in het drukke stadsverkeer hem niet beviel: hij wilde dat voortaan overlaten aan een professional, een koetsier. Het antwoord van 'Signor Fratello' is verloren gegaan, maar op 27 juli '68 schreef Christiaan hem terug dat de 'blauwe caleche' vrijwel gelijk was aan de Parijse. We weten nog iets meer van de 'blauwe caleche' omdat Christiaan op 10 augustus '68 aan zijn broer Lodewijk schreef ''Ik geloof dat de zwaanshalzen behalve het voordeel dat men er korte bochten mee kan maken, ook nog dat van grotere zachtheid (van de vering) bezitten, en dat is ook hetgeen waar Moggershil (Doublet) van zegt dat zijn caleche er wonderbaarlijk in is.'' De zwaanshals was een ijzeren boog, voor aan de langboom bevestigd, waar de wielen van de vooras bij het zwenken onderdoor konden draaien. In combinatie met de draaischijf was het dan mogelijk de vooras over 90 graden te zwenken, zodat het rijtuig een bocht kon maken om een punt dat midden tussen de achterwielen lag, J.P. Schor maakte omstreeks 1650 de eerste afbeelding van deze combinatie, die hij aantrof bij een caleche die toebehoorde aan een familielid van de toenmalige paus, Alexander VII Chigi. Wat betreft zijn verbouwde caleche schreef Huygens (31 aug. '68) aan broer Lodewijk dat zijn rijtuig mooi was geworden, maar nog mooier zou zijn geweest als hij het niet had hoeven om te bouwen. Het mooist zou het natuurlijk zijn geweest, maar dat schreef Huygens niet, als het was gebleken dat hij een nieuw en beter veersysteem had uitgevonden. Zoals het liep, moest hij de buitengewone gezant van de Republiek in Parijs, Koenraad van Beuningen, gelijk geven, die spottend had gezegd dat de zoekers naar een betere rijtuigvering ten slotte weer op de karos zouden uitkomen: ''En inderdaad, ik zie dat we daar heel dichtbij beginnen te komen'' (29 juni 1668).

Figuur II.1.

Sjees op horizontale riemen afgebeeld in de Encyclopedie. Het voornaamste verschil met de hier veel op gelijkende Friese, Noordhollandse of Drentse sjees is gelegen in het feit dat men in onze tijd niet meer met een staande of zittende lakei achterop rijdt. Daarom is de wagenbak tegenwoordig wat meer naar achter geplaatst ten opzichte van de as.

Figuur II.2.

Een wagenkast met een gegeven gewicht veroorzaakt in vlakke riemen (links) veel groter krachten dan in steile (rechts).

Figuur II.3.

De door Christiaan Huygens ontwikkelde sjees, door hem zelf geschetst (Hug. 45, U.B. Leiden).