William Tilden

Omdat Wimbledon eergisteren prompt werd geklopt door haar ergste vijand - de regen - liet de BBC nogmaals de recente finale van Roland Garros zien. En ik heb er opnieuw van genoten, met name van de winnaar Jim Courier. Technisch niet de beste tennisser ter wereld en soms zelfs ietwat onbeholpen lijkend wegens zijn grove lichaamsbouw, maar desondanks een genot om naar te kijken. Waarom? Omdat Courier in deze fase van zijn carriere een ontwapenend-positieve uitstraling heeft. Hij gaat er tegenaan gelijk een geboren 'positivo' en is in staat om zijn eigen fouten te grinniken: niet zoals iemand die zichzelf geen overlevingskansen meer inschat, maar als een man die tennis als doe-sport enorm leuk vindt. Geheel afgezien zelfs van de geldelijke beloning. Als Courier deze mentale frisheid kan bewaren zullen we nog veel van hem vernemen.

Nu blijft toptennis een wonderlijk spel, waarbij winst en verlies soms door slechts een haarbreedte gescheiden zijn. De rijke historie van Wimbledon kent hiervan veel voorbeelden. Ik heb er een paar opgediept. In het heren-enkelspel van 1927 draaide bijna alles om William Tatem Tilden, de Amerikaanse reus, die de titel al in '20 en '21 had gewonnen en die volgens velen de sterkste speler ter wereld was. Om Davis Cup voor zijn land te kunnen spelen was hij tussen 1921 en 1927 niet meer op Wimbledon verschenen. Wie dit onlogisch voorkomt, moet weten dat de spelers toen per schip reisden en dat een enkeltje Amerika-Europa twee weken in beslag nam. Maar in '27 verscheen de rijzige gestalte van 'Big Bill' opnieuw aan de Church Road en hij zeilde met frappant gemak door de ronden heen - tot hij in de halve finale stuitte op een snelle, kleine dribbelaar uit Frankrijk: Henri Cochet. Deze 'musketier' had aanvankelijk weinig in te brengen tegen de kanonskogels van Tilden, die met 6-2, 6-4 en 5-1 de loper voor zichzelf al zag uitgelegd. Nu was Tilden een man die de dingen in grote stijl placht te doen. Op Cochets service sloeg hij drie krakers, die volstrekt onhoudbaar waren en slechts een enkel gebrek hadden: ze belandden luttele centimeters achter de base-line. Geen nood: Tilden had nog geen enkele opslag-game verloren en prepareerde zich op een paar aces. Helaas voor hem liet zijn specialiteit hem plotsklaps in de steek, zodat hij zijn service game op 0 verloor. Daarmee zakte het eerst zo schitterende spel van Tilden als een slappe pudding in elkaar. Enfin - hij verloor in vijf sets. De menigte vroeg zich verbijsterd af hoe dit had kunnen gebeuren. Er waren er, die veronderstelden dat Tilden had gezien hoe bij de 5-1 stand in de derde set koning Alfonso van Spanje in de Royal Box was verschenen en hoe Tilden de monarch nog wat extra games voor diens geld had willen geven - Tilden ontkende. Een ander sprookje wilde dat een groep Hindoes de Amerikaan gehypnotiseerd zou hebben - Tilden lachte om dat verhaal. Intussen wist hij geen verklaring voor zijn ineenstorting te geven. Hij kwam niet verder dan een plotseling verdwijnende coordinatie tussen wat de geest wilde en wat de spieren moesten uitvoeren. Cochet deed niets bijzonders, behalve nooit opgeven. Met verandering van tactiek had het allemaal niks te maken. Ook vroeger gingen Wimbledon en drama vaak hand in hand. Terwijl menige finale tegenviel vanwege te groot krachtsverschil, werden er op weg naar de eindstrijd machtige duels uitgevochten. Neem het gevecht tussen Budge Patty en Jaroslav Drobny. Patty was een in Parijs levende Amerikaan met soepel spel en een fraaie techniek. Drobny was een uit Tsjechoslowakije gevluchte Tsjechoslowaak, die een tijd lang statenloos was, daarna de Egyptische nationaliteit accepteerde en ten slotte Engelsman werd. Patty en Drobny konden zelden snel beslissen wie van hen beiden de sterkste was. Eens, in Lyon, speelden ze honderd games. En daarmee was de derde set nog niet eens ten einde (het was voordat de tie-break werd ingevoerd). Toen oordeelde de wedstrijdleiding dat het genoeg was. De tent ging dicht en de match werd remise verklaard. Op Wimbledon in '53 ontmoetten zij elkaar in de derde ronde. Het werd een gigantisch gevecht. Drobny won de eerste set (8-6), Patty de tweede (18-16) en de derde (6-3). Drobny overleefde drie matchpoints in de vierde set (hij smashte ze weg) en opnieuw drie in de vijfde. Beiden hadden kramp en bovendien viel de avond nu snel. Bij 8-8 wilde Drobny stoppen, maar de referee gebaarde doorspelen. Bij 10-10 werd het ook deze official te machtig. Hij marcheerde naar de stoel van de umpire en dicteerde dat er nog twee games mochten worden gespeeld. Ineens kreeg Drobny de geest en scoorde acht punten op rij. Het gevecht had vier uur en 23 minuten geduurd en er waren 93 games uitgevochten. Beiden waren kapot. Ook de winnaar had zichzelf uitgeschakeld voor de Wimbledon-kroon van 1953. Maar hij revancheerde zich het jaar daarop toen hij alle potjes won.