Stadsregio maakt gemeente overbodig

DEN HAAG, 26 JUNI. In veel kleinere stadhuizen in Nederland wordt het de komende tien jaar langzaam stiller. De ambtenaren zijn vertrokken - gedetacheerd bij het regiobestuur of afgevloeid. Minister Dales en staatssecretaris De Graaff-Nauta (binnenlandse zaken) presenteerden gisteren hun plannen voor de nieuwe 'Stedelijke Gebiedsautoriteiten', waar zeven stadsregio's het komende decennium naar toe zullen groeien. Op termijn zal de zelfstandige Gebiedsautoriteit met gekozen bestuurders de kleinere gemeenten in de regio het bestaansrecht kunnen ontnemen - maar de bewindspersoon die dat hardop zegt loopt grote politieke risico's.

Bij de CDA-fractie staat het voortbestaan van kleinere kernen hoog in het vaandel. Aan een extra (vierde) bestuurslaag heeft de fractie geen enkele behoefte, net zo min als aan precies door Den Haag omschreven regionale bestuursvormen. Dus wordt door het kabinet uiterst omzichtig geformuleerd. Er “verschuiven” alleen taken van gemeenten, provincies en rijk naar het regiobestuur. Het nieuwe regiobestuur is alleen bedoeld om orde te scheppen in de lappendeken van intergemeentelijke afspraken en departementale indelingen, zo heet het. Menige minister heeft in de afgelopen jaren geprobeerd Nederland op de maat van zijn departement te snijden, met als gevolg dat er regio's voor van alles en nog wat zijn. Van schoolinspectie- en ambulanceregio's, tot openbaar vervoer- en arbeidsbemiddelingsregio's. Ook willen de bewindslieden niet al te duidelijk zeggen dat het takenpakket van de kleinere gemeenten wel eens zo uitgehold kan worden dat ze vanzelf uitsterven. Om die pil wat te verzachten heeft staatssecretaris De Graaff een nieuwe bestuurskundige term verzonnen - de imposante lijst over te hevelen bevoegdheden noemt zij “een gereedschapskist”. De regiogemeenten mogen zelf uitmaken welk “gereedschap” zij aan het samenwerkingsverband willen geven, zo is de suggestie.

Ook wil de staatssecretaris niet voorschrijven welke samenwerkingsvorm de gemeenten uiteindelijk moeten kiezen. De zeven stadsregio's die in aanmerking komen, hebben allemaal gekozen voor de bestaande wet gemeenschappelijke regelingen, die het kabinet daartoe wil “aanscherpen”. Kleinere gemeenten kunnen gedwongen worden om eraan mee te doen. Maar sommige hamers en nijptangen staan de gemeenten wel verplicht af; die zien ze ook nooit meer terug. Het kabinet publiceerde gisteren een minimum-lijst met taken en bevoegdheden voor de stadsregio's. Als de overdracht niet vrijwillig gebeurt “zal het kabinet tot oplegging overgaan”, aldus de Nota 'Bestuur op Niveau, deel 2”. Het gaat dan om het maken van intergemeentelijke bestemmingsplannen, planning van woningbouw, woonruimteverdeling, regionale verkeersplanning, regionaal grondbeleid en bodemsanering. Ook verschuiven er financiele bevoegdheden. De regio's kunnen ook nog uitgerust worden met onder meer onderwijstaken, arbeidsbemiddeling, milieuhandhaving, onteigening, industrieterrein ontwikkeling, taxi-regulering en stadsvernieuwing. In totaal gaat het om zo'n 54 taken en bevoegdheden vast die gemeenten, rijk en provincie mogen afstaan. De Graaff sloot op de persconferentie niet uit dat de besturen die zo ontstaan, de regio-gemeenten of de provincie geheel zullen verdringen. “Er komt een moment dat de wissel om moet”, aldus De Graaff. Maar dat is lang nadat dit kabinet is uitgediend - met mogelijk verplichte samenwerking wordt pas in 1993 begonnen. Het ware spookbeeld voor het CDA, de zelfstandige Stedelijke Gebiedsautoriteit, wordt pas rond 1995 verwacht. De burger zal dan niet alleen het plaatselijke gemeentebestuur kiezen maar ook het regionale bestuur van de Stedelijk Gebiedsautoriteit. “Wie dat woord heeft verzonnen moesten ze doodknuppelen”, gromde een ambtenaar gisteren bij de presentatie. De Gebiedsautoriteit mag “zonder last of ruggespraak” met de gemeentebesturen uit de regio zelfstandig beslissingen nemen. Een essentieel verschil met de huidige samenwerkingsverbanden, waarbij afgevaardigde wethouders het deelbelang tegen het regiobelang moeten afwegen en daarover verantwoording aan de eigen gemeente moeten afleggen. Dan valt ook moeilijk te ontkomen aan het eigen uitgangspunt dat “het toevoegen van een nieuw orgaan alleen aanvaardbaar is indien gelijktijdig een bestaand orgaan komt te vervallen”.