Pensioenvoorstellen van kabinet stuiten op scepsis

DEN HAAG, 26 JUNI. Het kabinet wil dat de pensioenen in de toekomst worden gebaseerd op het gemiddelde loon dat tijdens een loopbaan is verdiend en niet, zoals nu het geval is, op het loon dat wordt verdiend in de laatste drie jaar waarin is gewerkt. Verder wil het kabinet dat de pensioenen niet meer meestijgen met de lonen, maar dat alleen de prijsstijging wordt gecompenseerd.

Dit staat in de zogeheten pensioennota die staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De nota is een reactie op adviezen van de Emancipatieraad en de Sociaal Economische Raad (SER) over de pensioenproblematiek. In de nota staat het standpunt van het kabinet over de aanvullende pensioenen. Door de toenemende vergrijzing vreest het kabinet dat de aanvullende pensioenen op termijn onbetaalbaar worden. Daarom wil het kabinet de kosten drukken. Een pensioensysteem dat niet meer is gebaseerd op het laatstverdiende loon, maar uitgaat van het gemiddeld verdiende loon heeft volgens het kabinet als voordeel dat het beter is toegesneden op steeds vaker voorkomende vormen van wisseldende arbeid zoals deeltijdwerk en flexibele arbeidsovereenkomsten. Oudere werknemers kunnen zich ook gemakkelijker veroorloven in deeltijd te gaan werken zonder dat dit financieel nadelig uitwerkt op het latere pensioen. Bovendien zouden de uiteindelijke kosten van de pensioenregeling beter zijn te overzien. Verder zouden werknemers die geen of weinig carriere maken niet meer mee hoeven betalen aan de pensioenopbouw van carrieremakers. In de nota pleit het kabinet er voor de eenmaal ingegane pensioenen niet meer met de lonen maar alleen met de prijzen te laten meestijgen. Anders is een premiestijging volgens het kabinet onafwendbaar. Het kabinet streeft naar een grotere keuzevrijheid van werknemers voor de invulling van hun pensioen. Daarom wil het kabinet geen nabestaandenpensioen verplicht stellen, maar het aan de werknemers zelf overlaten of zij in hun pensioen een regeling willen treffen voor hun partner. Een werknemer moet ook zelf meer kunnen kiezen tussen een goed pensioen op oudere leeftijd in combinatie met een lagere premie. Daarom wil het kabinet de leeftijd waarop iemand met pensioen gaat meer aan de werknemr zelf overlaten. Het kabinet denkt aan een systeem van flexibele pensionering tussen 63 en 67 jaar. Om de overgang naar zo'n systeem te vergemakkelijken zouden werkgevers en werknemers de huidige regelingen voor vervroegd uittreden (VUT) moeten omzetten in deeltijd-VUT. De voorstellen die het kabinet doet over een nieuw pensioensysteem zijn door de eigenaren en beheerders van de pensioenfondsen met scepsis ontvangen. In een eerste reactie zegt de belangen-organisatie van pensioenfondsen, de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen (VB), is niet enthousiast over de ideeen van het kabinet. De VB vindt dat het kabinet niet duidelijk is over het doel van de ombuiging in het pensioenbeleid. Volgens de VB laadt het kabinet de verdenking op zich uit te zijn op een bezuiniging. Ook volgens FNV-bestuurder Van den Burg zijn de plannen van het kabinet ingegeven door de wil om te bezuinigen op de overheidsuitgaven. De FNV vindt dat het kabinet zich terughoudend moet opstellen tegenover de inhoud van de pensioenregelingen, omdat die tot stand komen in onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Wel toont de FNV zich 'teleurgesteld' over het feit dat het kabinet geen wettelijke pensioenplicht wil invoeren. Voor 6,3 procent van de werknemers bestaat geen pensioenvoorziening. Het kabinet stelt in de pensioennota af te willen zien van een wettelijke verplichting, omdat het ontbreken van een pensioenvoorziening voor een groot deel wordt veroorzaakt door startende bedrijven, die na verloop van tijd veelal alsnog een pensioenregeling invoeren. Het kabinet vindt een verplichte aanvullende pensioenregeling een onevenredig zwaar middel. De twee wettelijke maatregelen die in de nota worden aangekondigd zijn het verbod om deeltijdwerkers uit te sluiten van een pensioenregeling - waardoor in de praktijk vooral vrouwen worden getroffen - en de verplichting aan het bedrijfsleven om werknemers die van baan wisselen, de gelegenheid te geven het opgebouwde pensioenrecht mee te nemen naar de nieuwe werkgever, zodat er geen zogeheten pensioenbreuken meer ontstaan. Het kabinet wil dit echter alleen voor nieuwe gevallen laten gelden, en niet met terugwerkende kracht.