Het eeuwige dilemma: zelfbeschikking of stabiliteit; Joegoslavische crisis is klassiek

Vanuit het buitenland gezien presenteert de Joegoslavische kwestie zich als een klassiek dilemma: zelfbeschikkingsrecht, het recht van volkeren om over hun eigen bestuur te beslissen, versus stabiliteit van de internationale ordening. Ofwel: Metternich versus de vrijheidsstrijd. De deelstaten Slovenie en Kroatie beroepen zich op het recht op zelfbeschikking, dat de geallieerde overwinnaars van twee wereldoorlogen als norm van een nieuwe wereldorde hebben vastgesteld en dat de Verenigde Naties hebben geleid in alle beslissingen over dekolonisatie. De staten van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) daarentegen wijzen op dit moment deze vorm van zelfbeschikking af en beroepen zich daarbij op de noodzaak van een ordening van bestaande staten en bestaande grenzen. Ze vormen feitelijk een Heilige Alliantie, die veranderingen in Europa slechts gedoogt als vrucht van tweezijdig overleg en wederzijdse instemming.

Aan wederzijdse instemming heeft het in het geval van de losmaking van beide deelstaten uit het Joegoslavische staatsverband ontbroken. De onafhankelijkheidsverklaring in Ljubljana en Zagreb zien er van de kant van de Servische tegenpartij uit als een provocatie in een proces van etnische polarisering. De kwade geesten uit de Tweede Wereldoorlog, die in het naoorlogse West-Europa worden bestreden, spoken in het politieke spraakgebruik in Joegoslavie bijna ongehinderd rond: chauvinisme, nationalistische geschiedvervalsing, etnisch zelfbeklag en vreemdelingenhaat, waarbij het laatste een wonderlijke ontkenning lijkt van een van de grote tradities op de Balkan, de gastvrijheid. De Joegoslavische volkeren tonen op dit ogenblik hun grootste talent in de hartstocht van de desintegratie. En aangezien ze dat zo goed beoefenen en hopelijk ook zo moeilijk afstand daarvan kunnen doen, resteert voor optimisten de mogelijkheid, dat men de desintegratie steeds met nieuwe en ingewikkelder compromissen weet te bestendigen. Toch is het duidelijk, dat op dit moment de Joegoslavische staat vornamelijk wordt bijeengehouden door internationale pressie. Joegoslavie is in 1919 en in 1944 in het buitenland gevormd en dat schijnt voorlopig zo te moeten blijven. De argumentatie tegen een opdeling zijn bekend. Joegoslavie is een etnisch mozaek. Het is, omdat zijn gebied tot in de negentiende en twintigste eeuw behoorde tot ofwel het Ottomaanse rijk ofwel het Habsburgse, het toneel geweest van volksverhuizingen. De gedachte van de natie-staat met een etnisch homogene bevolking is te modern om van toepassing te kunnen zijn op een gebied, dat eeuwenlang opgesplitst was in een onderdeel van grotere bestuurlijke eenheden. De Serviers in Krajina bijvoorbeeld, die nu een 'minderheid' vormen in de deelstaat Kroatie, zijn daar ooit als gemilitariseerde boeren zich komen vestigen op uitnodiging van de Habsburgers ter verdediging van hun grensdistrict aan de rivier Una, de oude grens van het Ottomaanse rijk. Opdeling betekent, dat in de nieuwe staten nieuwe minderheden zullen ontstaan, die zich niet bij de overheersing van een volksstam zullen neerleggen. Van de huidige deelstaten kunnen alleen de kleinere, Slovenie en Montenegro, beschouwd worden als overwegend homogeen. In de grootste deelstaat, Servie, daarentegen is eenderde van de bevolking van niet-Servische herkomst. Het protest tegen de Servische overheersing van Kosovo is nu al een vast gegeven. Een tweede hoofdargument is het nadeel van de opslitsing van een economische ruimte. Op het moment, dat in West-Europa de douaniers zich bezorgd maken om hun werkgelegenheid, worden in Joegoslavie nieuwe grensbeambten aangeworven aan fris geschilderde slagbomen. Terwijl in Luxemburg de leiders van de EG spreken over een monetaire unie, ligt in Slovenie een nieuwe nationale munt in de kluizen te wachten op uitgifte en (buitenlandse) erkenning. Bij alle verschillen in produktiviteit en levenspeil tussen de verschillende republieken (het rijke Noorden versus het arme Zuiden) zijn de Joegoslavische economieen toch in de eerste plaats op elkaar aangewezen. De interne tariefmuren, die op basis van de onderlinge onafhankelijkheid worden opgericht, zullen alle nadeel berokkenen. Een derde hoofdargument ten slotte is het risico van een buitenlandse betrokkenheid of interventie. 'Buitenlands' wordt een relatief begrip in een land, dat in onafhankelijke deelstaten dreigt uiteen te vallen. Maar feit is, dat er in Joegoslavie ook aanzienlijke minderheden zijn met een etnische band met een van de buurvolkeren. Italie, Hongarije, Bulgarije en Albanie hebben in het verleden delen van het huidige Joegoslavie onder hun soevereiniteit gehad. Nu ook in het laatste land de rigide communistische dictatuur is gevallen, oefenen alle op de verwanten in Joegoslavie een aantrekkingskracht uit, die ze in alle jaren van Tito's bewind niet hebben gekend. Als deze minderheden in de verdrukking raken (of, in het geval van Kosovo, zijn), zullen de regeringen onder druk komen te staan van groepen, die de broeders aan gene zijde van de grens te hulp willen komen. Van alle argumenten weegt voor de internationale statengemeenschap dat van de internationale stabiliteit het zwaarst. De Europese landen vrezen voor een burgeroorlog met onafzienbare consequenties op het eigen continent. De Sovjet-Unie onderkent in een afscheiding kwade voortekenen voor een neergang van het eigen rijk. In de Derde Wereld zal het uiteenvallen van een land, dat onder Tito's regering de beweging van de niet-gebonden staten mee heeft gesticht en op dit ogenblik presideert, opzien baren. Maar meer nog zal het uiteenvallen vermoedelijk op verzet stuiten. De grenzen van de uit een dekolonisatie voortgekomen staten in Afrika en Azie zijn immers onaanraakbaar, hoe willekeurig ze ooit door de Europese kolonisten zijn getrokken. Wat aan Biafra in de jaren '60 niet werd toegestaan (ondanks een appel aan het geweten van de Europese tv-kijker), zal in de Derde Wereld Slovenie vermoedelijk ook niet worden gegund; een eenzijdige onafhankelijkheid. Of dichter bij huis; Nederland heeft het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea-bevolking op Nieuw-Guinea tenslotte ook moeten opgeven, omdat het zich moest schikken in de internationale norm van een integrale soevereiniteit van de Indonesische staat, te weten van Sabang tot Merauke. Het beginsel van het zelfbeschikkingsrecht verdraagt zich klaarblijkelijk niet steeds met de noodzaak van een stabiele ordening. Die onverdraaglijkheid heeft in 1918 en in 1945 geleid tot staatsconstructies, die minderheden en soms ook meerderheden de weg naar een bestuur volgens eigen inzicht blokkeerden. In 1991 lijkt dat opnieuw het geval. Joegoslavie is voor andere Oosteuropese staten de testcase van het dilemma tussen recht en stabiliteit. Maar er zijn twee tegenargumenten. De eerste luidt dat de staten van de CVSE zich feitelijk aan de kant scharen van het centralistische standpunt van de huidige communistische regering van Servie. Het tweede is, dat de zedelijke kracht van een rechtsbeginsel en de strijd ervoor - een vrijheidssstrijd - op den duur de publieke opinie in het Westen wel eens sterker kunnen aanspreken dan het 'Metternichse' primaat van een stabiele internationale ordening.