De verwestering van Warschau

Polen verandert. Warschau verandert mee: de straat, de oppervlakte en de buitenkant van het leven, heeft in vergelijking met een jaar geleden een ander gezicht gekregen. Het grijze maakt plaats voor een nieuw gezicht: terrasjes met parasols, trams die in de bocht nog net zo hard gillen als vroeger, maar die nu zijn opgeschilderd met reclame. Een jaar geleden meldde het hoofd van het KLM-kantoor met gepaste trots dat er inmiddels een blauwe KLM-tram door Warschau reed, lijn twee. Het moet zo'n beetje de eerste tram zijn geweest die het traditionele vaalrode kleurtje had ingeruild voor iets anders. Nu rijden er lila Milkatrams rond, witte Nikon-trams, nu wordt rijdend - en gillend - reclame gemaakt voor Walt-Disneyfilms en voor internationale koeriersdiensten en grote Westerse automerken.

Nieuwe namen: oude communistische helden zijn verdwenen, de grote boulevards zijn nu genoemd naar Jan Pawel II en generaal Anders en de rotonde pal voor het kolossale gebouw van waaruit de communistische partij 45 jaar lang de Polen heeft geknecht (en waar nu de beurs is gevestigd) heet Rondo General De Gaulle. En een nieuw gezicht. De reclame breekt het grauwe dat decennia heeft gedomineerd. Op tientallen plaatsen zijn pizzeria's en fast food restaurants uit het niets te voorschijn getoverd. Het centrum van Warschau is een winkelstad geworden, een eetstad, een wandelstad. Aan de Przedmescie Krakowskie en de Nowy Swiat, de oude prachtstrasse van Warschau, wisselen butiks en kunstgaleries elkaar af, boekwinkels waarin ingevoerde Engelse en Amerikaanse pockets een belangrijke plaats zijn gaan innemen, bontzaken, juweliers met veel zilver en barnsteen, luxe bloemenzaken. Boven de ingang van een bakkerij staat trots 'sinds 1869'; vorig jaar was die bakkerij er nog niet: 45 jaar socialisme gereduceerd tot een nare droom, een vergeten interval, een weggemoffelde pauze. Groentewinkels leggen in de etalages alles wat er vroeger nooit was, kiwi's en ananas en Hollandse appels, voor 20.000 zloty (vier gulden) de kilo. Poolse appels zijn er niet: dit land produceert appels genoeg, maar de opslagruimte ontbreekt en wat niet wegrot smaakt voornamelijk naar spons. Op de stoep van de winkels aan de Nowy Swiat, onder de uithangborden van Westerse automerken en naast affiches die je vertellen dat je voor Hans van Manen in Teatr Wielki moet zijn, de straathandel, net als vorig jaar, maar uitgebreid: stalletjes, soms slechts een stoel, met cassettes uit het Westen, frisdranken uit het Westen, ijs uit het Westen, speelgoed uit het Westen. Heel het buitenland is er, Lacoste en Nikon, Kodak en de laatste Westerse computers. In de supermarkts hebben de grauwe Poolse blikken plaatsgemaakt voor tomatenpuree uit Italie, abrikozen uit Bulgarije, Duits appelsap, Franse wijnen, Turks fruit uit Macedonie, Griekse bonbons, Zwitserse chocola. Niet dat de Polen die hier, aan de Nowy Swiat, de nieuwe winkels binnengaan er zich veel aanschaffen: het is voor de meesten kijken-niet-kopen: de meeste Polen weten nog steeds niet of ze om de prijzen in lachen of in huilen moeten uitbarsten. In een van de statige huizen, onder een balkon met veel bloemen en een gipsen bloemenrelief, en naast een huis waar ooit Joseph Conrad en Karol Szymanowski hebben gewoond, heeft Christian Dior een vestiging, waar lippenstift 200.000 zloty (40 gulden) moet kosten en zalfjes voor de ultra-gevoelige huid een half miljoen en een beetje eau de toilette driekwart miljoen zloty, 150 gulden. Daar moet de gemiddelde Pool een halve maand voor werken. Niet alles is mooi. Waarom de prijzen van Dior twintig procent hoger moeten liggen dan in Parijs is niemand duidelijk. Erger: menig Westers bedrijf lijkt niet zijn beste spullen naar het Oosten te willen sturen: waar zoveel jaren lang zoveel heeft ontbroken, zo denkt men kennelijk, zijn de pretenties laag. En zoals onze voorvaders ooit met de zwartjes van Afrika ivoor en slaven ruilden tegen spiegeltjes en glazen knikkers, zo sturen sommige bedrijven de Polen rommel die ze in het Westen aan de straatstenen niet kwijtraken. Benetton is om die praktijken in de Poolse media fors gehekeld, want heel wat spullen die men er voor miljoenen zloty kocht bleken al eens gedragen of hadden allerlei schoonheidsfouten. Het enorme plein voor het Cultuurpaleis wordt gedomineerd door de straathandel: rechts van de ingang zijn het de Polen met hun Westerse spullen, links zijn het de Russen. Honderden zijn het er, met in hun kraampjes Centraalaziatische tapijten en uniformen van het Rode Leger, sardines uit de Zwarte Zee en overhemden uit Noord-Korea, verrekijkers, gouden horloges, sigaretten, kinderspeelgoed en Sovjet-spijkerbroeken. De markt, zo weet men, wordt beheerst door een Sovjet-mafia, die de handelaars protectiegeld afperst en voor de aanvoer zorgt. De handel hier heeft zijn langste tijd gehad: de stad Warschau wil voor het Cultuurpaleis een overdekte markt bouwen en heeft de straathandel de wacht aangezegd. Nog een paar dagen, dan wordt ingegrepen. Wie dan niet weg is moet rekening houden met geweld. Er is in Warschau veel bijgekomen, het afgelopen jaar. Er is ook veel weggegaan. Restaurant Ler bijvoorbeeld, nabij de oude stad, een prima restaurant, zij het met de onhebbelijke gewoonte de televisie met Westerse pop keihard aan te zetten. Je kon bij Ler goed eten maar slecht praten. En de Oostduitse boekhandel is weg, aan de Swietokrzyska, vroeger altijd een vast adres voor in het Duits vertaalde en in de DDR uitgegeven Oosteuropese literatuur. Vorig jaar was de DDR al verdwenen, maar was de Oostduitse boekhandel er nog. Nu zit er het Goethe Institut. De ramen zijn volgeplakt met affiches die de voorbijganger toeroepen: Deutsch verstehen! Er naast een pizzeria. En daarnaast het staatsreisbureau Orbis, dat vroeger weinig verder kwam dan reisjes naar Bulgaarse stranden maar dat nu werft voor vakantietrips naar Malawi. Maar wie zal dat betalen?