Adviseurs willen dat overheid kijkt naar doelmatigheid van steunregelingen'; Minder subsidie verzwakt concurrentie'

ROTTERDAM, 26 JUNI. Het kabinetsstreven uitgaven aan subsidies terug te dringen - met de recente Tussenbalans nieuw leven ingeblazen - leidt tot verzwakking van de concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven. De overheid doet er beter aan de effectiviteit van subsidies onder de loep te nemen. Door verbetering van regelingen kunnen al bezuinigingen worden bereikt.

Dat stelt de Nederlandse Vereniging van Adviseurs inzake Subsidies en andere Overheidsstimuleringsmaatregelen (NVAS) in haar verslag over 1990. De vereniging telt bijna honderd leden die hun brood verdienen door bedrijven en instellingen wegwijs te maken in de wirwar van steunmaatregelen. De NVAS-leden, die niet ontkennen beroepshalve gebaat te zijn bij omvangrijke subsidiebudgetten, zijn niet a priori tegenstander van bezuinigingen op subsidies. Daarbij dient de overheid zich echter wel van zuivere argumenten te bedienen, aldus voorzitter mr. J.M. Stevers. De manier waarop zij nu bezuinigt acht hij veel te grof. De overheid zou alleen maar letten op waar geld te halen valt, terwijl nut en effect van subsidies nauwelijks in de bezuingingsoverwegingen zou worden betrokken. “Het beleid is ondergeschikt gemaakt aan de bezuinigingsdrang”, aldus de NVAS. Kleine en middelgrote bedrijven, zo stelt de NVAS, zullen bij gebrek aan voldoende stimulering en ondersteuning door de overheid een forse achterstand oplopen. Hun positie en resultaten zullen in snel tempo verslechteren, waarmee een aanzienlijk deel van eerdere overheidsinvesteringen zijn waarde verliest. Volgens de subsidie-adviseurs is al belangrijke winst te behalen als de overheid beter zou letten op de effectiviteit van het subsidiebeleid. Langs technische, politiek neutrale wegen zijn al bezuinigingen te behalen. De vereniging doet daarvoor verschillende suggesties. Zo zouden bestaande en nieuwe subsidieregelingen slechts voor een duidelijk vastgestelde periode moeten gelden en dienen zogeheten open eind-regelingen (waarvan de WIR een afschrikwekkend voorbeeld was doordat de kosten ervan ongebreideld konden oplopen) verder te worden teruggedrongen. Daarnaast bepleit de NVAS eenduidigheid en consistentie in regelgeving, zowel wat inhoud en opbouw ervan betreft als formulieren en dergelijke. De doelstelling van elke regeling zou in harde cijfers moeten worden vastgelegd, zodat haar effectiviteit kan worden getoetst. Beleidsmatige en technische toetsing van een nieuwe regeling dient voor invoering ervan te gebeuren, zo goed als de ontwerpers vooraf contact dienen te hebben met potentiele gebruikers. Ten slotte suggereert de NVAS versterking van controlemechanismen; tusentijdse rapportages, accountantsverklaringen en externe adviescolleges zouden bij elke regeling standaard moeten zijn, evenals een regelmatige evaluatie. Volgens de subsidie-adviseurs voldoet de 'subsidiebijbel' van het ministerie van financien niet aan deze “minimale eisen”. Dit overzicht van subsidieregelingen kan, aldus de NVAS, “dus nooit worden gebruikt als de enige beleidsmatige onderbouwing voor ingrijpende beslissingen”. Ze betreurt het dat dit toch gebeurt. Subsidies ziet de NVAS als een beproefd middel om de economie, en vooral kansrijke sectoren daarin, te stimuleren. Duidelijkheid en lange termijn planning zijn voor het bedrijfsleven en andere subsidiegebruikers van het grootste belang. De huidige situatie blinkt echter uit door onduidelijkheid en gebrek aan visie aan de kant van de overheid. Met name hekelt de vereniging de ontwikkelingen rond de Innovatiestimuleringsregeling (Instir) die, ondanks een zeer positief evaluatieonderzoek, in 1989 werd beperkt, vorig najaar werd verlengd tot 1 januari 1994, en per 1 april opnieuw werd gewijzigd. Vlak daarna werd besloten de regeling per 1 oktober te laten vervallen. Volgens de subisieadviseurs is Nederland op enkele beleidsterreinen, zoals milieu, koploper in Europa. Op andere gebieden dreigt het Nederlands bedrijfsleven bij andere EG-landen achterop te raken. De vereniging haalt de recente nota 'Economie met open grenzen' aan van Economische Zaken, die aangeeft dat Nederlandse middelgrote en grote bedrijven op het gebied van onderzoek en ontwikkeling een achterstand vertonen ten opzichte van internationale concurrenten. De nota wijst erop dat overheden van andere landen nationale ontwikkelingen wel zwaar ondersteunen. De NVAS voert een overzicht van de Europese Commissie aan van het subsidiegebruik in de verschillende EG-landen, dat dit bevestigt. In de periode 1986-1988 bedroeg de Nederlandse overheidssteun 1,3 procent van het bruto nationaal produkt. Daarmee komt Nederland op de ranglijst van twaalf EG-landen op een tiende plaats. Alleen Groot-Brittannie en Denemarken subsidieren, met een procent van het BNP, minder. Volgens de NVAS wijkt de huidige rangorde niet veel af, zij het dat Duitsland (met 2,5 procent van het BNP in 1986-1988 op een zesde plaats) door de eenwording met de voormalige DDR inmiddels fors meer subsidieert. Over de hoogte van de jaarlijks door de Nederlandse overheid verstrekte subsidies zegt NVAS-bestuurder drs. R. Noltes overigens geen precieze cijfers te kunnen geven. Afhankelijk van de gekozen definitie (alleen bedrijfssteun of ook bijvoorbeeld sociale regelingen) circuleren volgens hem bedragen van 20 tot 57 miljard gulden.