WAO

De heer Bomhoff suggereert in zijn column van 10 juni in NRC Handelsblad dat door werkgevers- en werknemersorganisaties moedwillig wordt vergeten te kijken naar de organisatorische kant van het WAO-probleem.

Deze hebben daar immers geen belang bij, zo luidt zijn stelling, die hij tracht te bewijzen aan de hand van een artikel in Vrij Nederland van 1987. Dat lijkt ons een erg magere wetenschappelijk basis. Wij raden de heer Bomhoff aan kennis te nemen van het unanieme voorstel van de Stichting van de Arbeid om door het overdragen van taken van de GMD aan de bedrijfsverenigingen een gestroomlijnde en dus snellere behandeling vanaf de eerste ziektedag voor het gehele ZW- en AAW- WAO-traject mogelijk te maken. Deze kern van de reorganisatie van de uitvoering van de werknemersverzekeringen is niet alleen onderschreven in een nagenoeg unaniem advies van de Sociaal-Economische Raad (nr.

90-07) en in een unaniem advies van de Sociale Verzekeringsraad van 22 juni 1990, maar is ook in de gemeenschappelijke verklaring van sociale partners en kabinet van 2 oktober vorig jaar als een noodzakelijke voorwaarde vermeld voor het welslagen van een intensievere gevalsbehandeling.

De heer Bomhoff kritiseert dat in hetzelfde artikel in Vrij Nederland uit 1987 van de zijde van het VNO premiedifferentiatie in de WAO vooralsnog van de hand werd gewezen. Daarbij ziet de eer Bomhoff over het hoofd dat daarna voorstellen om directe financiele prikkels bij ondernemingen te leggen door middel van premiedifferentiatie in Ziektewet en WAO, naast vele andere voorstellen, door de werkgevers zijn gedaan en inmiddels door alle betrokkenen zijn aanvaard. Wij bevelen lezing van het interimrapport van oktober 1989 van een tripartite werkgroep van de STAR in dit opzicht aan. Maatregelen, die overigens pas eind 1990 door het kabinet in voorontwerp van wet (TAV) werden vrtaald. Het kabinet koos daarbij voor invoering van een bonus- malussysteem in plaats van premiedifferentiatie in de WAO.

Voorts heeft de heer Bomhoff nogal moeite met de medische keuringen. Wellicht verstandig om hierbij te bedenken, dat de in de wetten voorkomende begrippen ziekte en gebrek een maatschapelijke invulling hebben gekregen. Het is niet gebruikelijk in Nederland om iemand die zgt pijn te hebben, niet te geloven omdat die pijn niet bewijsbaar is.

Het valt niet in te zien dat meer keuringen, door artsen naar ik mag aannemen, tot andere resultaten zullen leiden. Ook die keuren immers naar dezelfde begrippen van dezelfde wet. Het is een misverstand te menen dat steeds meer van hetzelfde een beter resultaat oplevert.

Belgie is die weg ingeslagen. Daar kent men nu zeven keuringen, echter zonder het gewenste resultaat. Bovendien worden in beroepsprocedures medische deskundigen ingeschakeld die niet uit de uitveringswereld komen. De beroepsprocedures zouden inderdaad sneller moeten kunnen, maar of daarmee een andere uitkomst wordt verkregen valt te bezien.

De conclusie is dan ook dat er niet valt te ontkomen aan wetswijzigingen die drempels tegen een al te gemakkelijke instroom opwerpen. Dat vergt een keuze die de heer Bomhoff blijkbaar niet wenst te maken. Dat is zijn goed recht, maar het zou hem sieren als hij daarbij zuivere argumenten hanteert en bovendien zijn lteratuur wat beter bijhoudt.