Vernieuwing van muziekzalen in Haags museum

DEN HAAG, 25 JUNI. Na een tweeeneenhalf jaar durende verbouwing zullen vanmiddag in het Haags Gemeentemuseum de zalen voor de expositie van een deel van de collectie muziekinstumenten worden heropend in aanwezigheid van prins Claus. De Amsterdamse klavecinist Gustav Leonhardt zal bij die gelegenheid enkele tentoongestelde instrumenten bespelen. Vanaf morgen kan het publiek kennis nemen van de nieuwe opstelling en twee recente aanwinsten: een Streichervleugelen een 18de eeuws 'clavecin royale' van Johann Gottlob Wagner.

In de toekomst zullen in de expositieruimten in saenwerking met het Haagse Koninklijk Conservatorium concerten op oude instrumenten plaatsvinden. Maar voor het overige is het de bedoeling dat de expositie er een is van mooie objecten en niet van muzikale klanken.

Er is ook welbewust van afgezien om met technische voorzieningen als luidsprekers of walkmans de bezoekers de klank van de verschillende instrumenten te laten horen.

De instrumenten zijn wel zo geexposeerd alsof ze voor gebruik klaar staan of liggen. De meeste zijn echter niet meer geschikt om ze op professionele wijze te bespelen en het nieuwe beleid van het museum is ze te conserveren en niet om ze te gebruiken met als consequentie dat ze dan - naar de woorden van Gerrit Komrij - onherstelbaar zijn gerestaureerd.

De nieuwe zalen van de muziekafdeling, waar nu ook plaats is voor het exposeren van prenten en musicalia op papier, zijn totstandgekomen na een grondige verbouwing en herinrichting van de ruimte op de begane grond naast de binnnvijver. Aan de andere zijde waren door architect Michiel Polak reeds eerder nieuwe zalen voor schilderijen ingericht.

Volgens Polak zijn de ruimten na vele eerdere verbouwingen niet teruggerestaureerd naar de originele toestand van 1935, toen het gebouw van Berlage werd geopend. Het gebouw van hetHaags Gemeentemuseum werd bij het vijftigjarig bestaan in 1985 zelf tot kunstwerk verklaard en in de collectie opgenomen. Wel vindt Polak dat hij de nieuwe muziekzalen in de geest van Berlage opnieuw heeft verbouwd, met een symbiose van skeletbouw en wandenbouw.

Veel aandacht is besteed aan de beperking van schadelijke lichtinval en aan klimaatbeheersing. Voor de nieuwe inrichting is deels gebruik gemaakt van de originele vitrines van Berlage en kopieen daarvan. In tegenstelling tot vroeger hangen er nu geen instrumenten meer aan de wanden. Er is eens een gitaar naar beneden gevallen en verbrijzeld en de museumstaf vindt het ophangen van muziekinstrumenten niet 'mooi' en ook getuigen van weinig eerbied daarvoor.

De expositie is nu minder omvangrijk dan vroeger en beperkt zich tot de Europese instrumenten. Vroeger waren er vijf tot zeshonderd instrumenten te zien, nu slechts 140. Het is de bedoeling zo weinig mogelijk te tonen, zegt museumdirecteur Rudi Fuchs. De expositie bestaat uit topstukken en uit 'mooie' instrumenten en vormt zo een verwijzing naarde rest van de collectie van enkele duizenden muziekinstrumenten in de kelders onder het museum. Op afspraak kan genteresseerd publiek daar onder begeleiding specifieke instrumenten zien.

De instrumentencollectie van het Haags Gemeentemuseum, die in 1933 zijn oorsprong had in het verwerven van de verzameling van de failliete bankier D. Scheurleer, wordt nog steeds uitgebreid en kwalitatief verbeterd. De acquisitie van het uiterst zeldzame Wagner-klavecimbel (waarvan de snaren niet niet worden getokkeld maar met een hamer worden aangeslagen) en de Streichervleugel kwam totstand door ruiling met minder waardevolle stukken.

Volgens Rudi Fuchs, die enkele schilderijen uit het museum voor vele miljoenen wil verkopen om een aankoopfonds in te stellen, is zoiets bij de instrumenten uitgesloten: die brengen daarvoor veel te weinig op. De expositie toont ook hedendaagse instrumenten: synthesizers, de electronische 'handen' van Michel Waisvisz, het Mikrophonie-instrumentarium van Stockhausen en het Zwei-Mann Orchester van Kagel.