Thatcher en Heath over Europa: dat belooft wat

Edward Heath (premier van Groot-Brittannie van 1970 tot 1974) heeft zijn opvolgster Margaret Thatcher (premier van Groot-Brittanie van 1979 tot 1990) uitgedaagd voor een televisiedebat over Europa. De 74-jarige ex-premier zorgde vorige week v een unicum in de geschiedenis van de Britse Conservatieve Partij door in de meest persoonlijke termen de vloer aan te vegen met de opvattingen van Thatcher over Europa. Heath verweet haar dat ze het Britse publiek “voorliegt” over het ontstaan van een “Europese superstaat” en hij beschuldigde haar er van “een mini-verstand” te bezitten.

Mevrouw Thatcher gaat waarschijnlijk niet op de uitnodiging in. Zij vuurde haar salvo's tegen Europese eenwordinf in de Verenigde Staten.

Daar hield zij een serie lezingen om fondsen te werven voor een beoogde 'Thatcher Foundation'. Eind vorige week kwam ze terug. Net op tijd om aanwezig te kunnen zijn voor de parade van veteranen van de Golfoorlog in de City van Londen.

Morgen zendt Sky Television een interview uit dat David Frost gisteren met haar had. Gezien Thatcher's belofte dat “een beetje minder stilwijgen (over Europa) op zijn plaats is”, wordt naar haar uitlatingen met gretigheid uitgezien.

Eveneens woensdag, drie dagen voor de topontmoeting over Europese integratie van EG-regeringsleiders in Luxemburg, debatteert het Lagerhuis over Europa en de Britse rol daarin. Edward Heath , parlementslid voor Bexley, zal in dat debat het woord voeren. Hij heeft zijn opvolgster, nog steeds Lagerhuislid voor Finchley, uitgedaagd hetzelfde te doen. Achter die oproep hebben zich ook anderen binnen de Conservatieve Partij geschaard. Het zou beter zijn, is hun redenering dat de argJH)menten pro- en anti-Europa openlijk worden besproken in 's lands vergaderzaal dan dat ze via de media worden uitgewisseld.

Ministers uit het kabinet van John Major - in dit titanengevecht tot piggy-in-the-middle gereduceerd - hebben al gesnierd dat Thatcher niet onbetaald wenst te spreken in het Lagerhuis en het blijkbaar lucratiever vindt om haar kritiek in de VS te spuien door deelname aan het notoire 'plastic-kip-circuit'.

John Major kan het openlijke geruzie in zijn partij over verdergaande Europese integratie wel heel slecht gebruiken. Althans “niet waar de kiezers bij zijn”, zoals een cartoonist hem dit weekeinde in een tekening liet zeggen. De topontmoeting in Luxemburg concentreert zich wat de Britse regering betreft sterk op het voorlopig tegenhouden van definitieve besluiten, door actie tegen het gebruik van het gevreesde woord 'federaal' in de tekst van het beoogde slotdocument. Maar Major wordt in zijn contacten met Europese partners gehinderd, door het gekrakeel van zulke prominenten als Heath - de man die Groot Brittannie de EG binnenleidde - en Thatcher - de vrouw die spijt zou hebben van het ondertekenen van de Acte tot Europese Eenwording en de premier die zich door twee van haar ministers moest laten dwingen het pond onder te brengen in Europese monetair systeem.

Een debat Heath-Thatcher in het Lagerhuis zou een unieke metafoor zijn voor de verdeeldheid tussen pro- en anti-Europeanen in de Britse volksvertegenwoordiging. Heath is daarbij minstens zo gepassioneerd voor Europa, als Thatcher tegen is: een louterende botsing waarvan de vonken afvliegen zou het gevolg zijn. Mocht Thatcher verkiezen haar oppositie buiten de volksvertegenwoording voort te zetten, dan zal Heath zeker niet zwijgen. En hoewel hij ontkent dat persoonlijke gegriefdheid over de manier waarop 'dat mens' hem heeft behandeld een rol in zijn opstelling speelt, zal zijn kritiek in dat gevaminder effectief zijn. Aan de manier waarop “de bejaarde vrijgezel” de afgelopen week opkwam voor Europa werd nu al afbreuk gedaan door de verdenking dat Edward Heath zich eindelijk vrij achtte om voluit zijn gal te spuwen over een vrouw die hij zelf in 1970 zijn kabinet had binnengehaald.

Beide oud-premiers hebben een reeks van uitspraken over elkaar, over Europa en over ieders beleid op hun naam staan. Edward Heath op 22 november 1975 in een toespraak in Rome: “Het pleidovoor particulier ondernemerschap wordt op zo'n schrille toon gevoerd dat het de indruk maakt een verdediging te zijn van de nogal onbehouwen waarden van het kapitalisme in zijn aanvangsstadium.” Op 18 december 1979 naar aanleiding van de manier waarop Thatcher een conflict over landbouwsusbsidies in de EG was aangegaan: “Die kwestie kan met meer tact worden behandeld”. Tegenover een groep zakenmensen in Birmingham op 31 oktober 1980: “Het kan niet terecht zijn dat we nu kleine bedrijven, die door generats achtereen zijn opgebouwd, tot faillissement gedreven zien.”

De volgende maand in een radiopraatje over monetarisme: “Mensen beseffen nu wat de verdiensten van de vorige Conservatieve regering geweest zijn, vergeleken met de catastrofale dingen die zij vandaag de dag aan zich zien voltrekken.” En verder: op 28 november 1980 in het debat over de Troonrede: “De regering richt bedrijven ten gronde en brengt grote bedrijven in gevaar door zijn monetair-economisch beleid... De kosten van werkloosheid, voortvloeiend uit de huidige rentestand, zijn groter dan de opbrengsten van die rente zelf. In juli 1981 in de Jimmy Young-show op BBC-radio: ““Of je bent het met alles en iedereen eens en wordt een ja-knikker en dan word je als loyaal bestempeld. Of je hebt tegenovergestelde meningen, zonder dat je je overgeeft aan persoonlijke beldigingen, wat ik nooit heb gedaan, en dan word je als disloyaal bestempeld en volstrekt overal buin gehouden. Dit is bij mijn weten nooit eerder gebeurd in de Conservatieve Partij. Een dergelijke opstelling ben ik nooit eerder tegengekomen. Ik ben volstrekt niet van plan om het veld te ruimen.”

Op 14 oktober 1981 in een toespraak tot de jaarlijkse Conservatieve partijbijeenkomst, in Blackpool: “We kunnen geen eenheid hebben in deze partij, wanneer er voortdurend zo duidelijk gesnierd wordt over het werk dat alle vorige Conservatieve regeringen hebben verricht.”

Op 2 april 1984 voor de London Europe Society: “Dmensen in dit land zijn zich maar al te bewust van de mate waarin hun baan en hun bestaan afhankelijk zijn van toegang tot de markten van Europa... Zij laten zich niet misleiden door de lokzang van politieke groeperingen, die zeggen dat ze de Europese Gemeenschap willen hervormen, maar wier werkelijke bedoeling is om de EG te gronde te richten of Groot Brittannie daaruit terug te trekken.”

Vervolgens op 19 november 1986 - na Reagan'seheime Iran-Contras wapen-ruilhandel - over Thatcher's accepteren van verzekeringen van de Amerikanen, dat ze nooit zaken zouden doen met terroristen: “Dit was een volstrekt onzinverhaal en om daaraan mee te doen of om dit te aanvaarden als stelde het iets voor, is iets wat een Britse regering nooit had mogen doen.”. Twee jaar later - 13 mei 1988 - in de Harold MacMillan-lezing in Nottingham: “De huidige strijdkreet is 'nooit,nooit een compromis aangaan'. Wij hebben een Conservatieve regering, die tien jaar aan de macht is en die verkozen heeft zijn succes bij de kiezers niet te gebruiken om een een waarachtig nationaal beleid te bouwen maar om in plaats daarvan een serie verdeeldheid zaaiende en onpopulaire maatregelen door te drukken die zelfs de eigen aanhangers ongerust maken.”

Verder zei Heath op 15 mei 1989 over Thatcher's gebruik van uitdrukkingen als 'Europese superstaat': “Dat is allemaal nonsens, absolute onzin. Dit is misbruik, en poging het publiek te misleiden over de aard van de Europese Gemeenschap. Op 29 mei 1989 in een toespraak tot het Belgische Instituut voor Buitenlandse Betrekkingen: “Wij moeten ons in acht nemen voor politici die steeds maar klagen over verlies van souvereiniteit. Wat bedoelen ze daarmee? Maar al te vaak hebben ze het over hun eigen macht en ze zijn geneigd voortdurend de souvereiniteitskaart te spelen, net wanneer ze inigen land in moeilijkheden verkeren....”. Op 3 september 1990 in een toespraak tot de European Executive Club over Thatcher's betrekkingen met Reagan: “Ik ben nooit een voorstander geweest van een situatie waarin twee regeringsleiders elkaar op beide wangen kussen, zelfs al zijn ze van verschillend geslacht.”

Een jaar later - 18 juni 1991 - in een televisieinterview met Channel 4 naar aanleiding van uitlatingen van Thatcher in New York en Chicago: “Soevereiniteit bestaat opdat de bevolking er profijt van trekt en niet opdat de ijdelheid van politici ermee gestreeld kan worden. En als we onze soevereiniteit in een Verenigd Europa kunnen gebruiken om ons volk en de rest van de volkeren in Europa een beter bestaan te verschaffen, dan is dat precies hoe (souvereiniteit) gebruikt moet worden.

In haar positie van premier kon Thatcher het uitdrukken van haar ongenoegen over Heath grotendeels overlaten aan 'kringen rond de premier' en 'bronnen in Downing Street 10'. De sleutelwoorden die hetzij haar medestanders-parlementsleden, hezij haar persvoorlichter Sir Bernard Ingham hanteerden, waren: mevrouw Thatcher was “ontsteld”, Heath was “niet echt een steun in de rug”, “snierend aan de zijlijn” of “bitter”. Op 8 juli 1978 tegen de verzamelde pers over berichten als zou er een toenadering tussen haar en Heath zijn met het oog op de verkiezingen: “Er zijn niet half zo veel problemen geweest als jullie hebben verondersteld”. Idem over Heath's belofte dat hij steun zou verlenen aa de verkiezingscampagne: “Ted is iemand die erg terughoudend van aard is en daarom was hij ook erg terughoudend in zijn toespraak. Maar komend van een man zoals hij, was het geweldig”.

In oktober 1981, na kritiek van Heath, zei zij op ijzige toon:“Voor mij is pragmatisme niet voldoende. Voor mij staat consensus gelijk aan een proces waarin je afstand doet van alles waarin je gelooft, van al je principes en waarden, en waarin je op zoek gaat naar iets waarin niemand gelooft maar waartegen ook niemand bezwaar maakt.”

In oktober 1988 zei Lagerhuislid Jonathan Aitken, medestander van Thatcher in de anti-Europa-lobby binnen de Conservatieve Partij, op het partijcongres in Brighton dat hij bij Heaths interpretatie van de Single European Act en zijn visie op Europa in de toekomst het gevoel kreeg dat hij niet sprak namens het huidige, praktische, op de toekomst gerichte Groot-Brittannie, maar namens “een, nogal gesoleerd levende handelaar in dromen uit Broadstair-les-Deux-Eglises.”

Acht maanden later ging minister Kenneth Baker (onderwijs) tot de aanval over met de uitspraak: “Ik kan geen enkele voormalige premier bedenken die zo'n stroom van giftige, persoonlijk beledigende uitlatingen jegens zijn opvolger, de leidster van de Conservatieve Partij, gaande houdt. Hoe droefmakend, dat persoonlijke verbittering en gefrustreerde ambitie hem blind maken voor de verdienten die deze regering de laatste tien jaar in Europa heeft gehad.” En in 1990 zei mevrouw Thatcher, niet lang voor haar val, in een uitval: “Ach, we weten allemaal hoe Ted in elkaar steekt”.

Bovendien rapporteerde Sir John Junor, volbloed aanhanger van Thatcher en oud-hoofdredacteur van The Sunday Express, in zijn memoires hoe Margaret Thatcher over de persoon van Edward Heath denkt: “Als ik naar hem kijk en hij kijkt terug, dan heb ik niet het gevoel dat ik hier te maken heb met een man die naar een vrouw kijkt. Meer dat een vrouw naar een andere vrouw kijkt.”