Oost-Europa geen voorbeeld voor Vietnam; Een Westerse zakenman: Ik had verwacht dat iedereen in uniform zou lopen

HANOI, 25 JUNI. Het communistische regime van Vietnam, dat gisteren zijn zevende partijcongres is begonnen, kan met enige voldoening terugzien op de invoering van een markteconomie. Maar de regering staat nu voor de geduchte taak het land uit een depressie te tillen.

Een van de hoofdvragen voor de 1.176 afgevaardigden op het congres, waar het economische en politieke beleid voor de komend vijf jaar zullen worden vastgesteld, zal zijn in welk tempo en in welke mate de op het zesde partijcongres in 1986 gerealiseerde economische hervormingen moeten worden voortgezet.

Die hervormingen hadden fundamentele, soms pijnlijke veranderingen tot gevolg. De besnoeiing op staatssubsidies, de nieuwe wisselkoers, de decentralisatie van beleid inzake handel en vrije verkoop van goederen voor boeren en zakenlieden hebbe deels gunstig en deels ongunstig gewerkt.

De produktie en export van rijst is gegroeid, consumptiegoederen zijn beter verkrijgbaar en sinds 1987 hoeft niemand meer in de rij te staan voor voedsel, olie, kleding of andere artikelen.

“Ik stond er werkelijk versteld van hoe gewoon Hanoi is”, zegt Robert Couchman, een Britse zakenman op bezoek in Vietnam. “Ik had verwacht dat iedereen in uniform zou lopen en dat alle gebouwen kogelgaten zouden hebben.”

Andere bezoekende westerse zakenlieden inden eveneens dat Hanoi, een stad met weinig lawaai, waar de meeste mensen zich per fiets verplaatsen en waar twee liften zijn, met het jaar een bedrijviger, welvarender aanblik biedt.

Maar onder de oppervlakte zijn er fundamentele problemen. De inflatie, die in 1989 na een eerdere golf van hyperinflatie tot 40 procent was ingetoomd, schoot vorig jaar weer naar 100 procent.

Zo'n 600.000 gedemobiliseerde soldaten, de tienduizenden uit Oost-Europa teruggekeerde arbeiders en de meer dan 500.000 ambtenaren die sinds 1989 zijn ontslagen hebben het werklozenleger versterkt.

Ondanks de nieuwe wetten op ondernemingen en bankwezen houdt de overheid zich nog steeds niet aan de regels voor het innen van belastingen en het reguleren, beschermen en stimuleren van het zakenleven.

De economische groei liep in 1990 terug tot 2,4 procent, tegen 5,5 procent in 1989, zo meldt de Aziatische Ontwikkelingsbank in haar laatste verschenen jaarrapport.

De agrarische sector, goed voor 75 procent van de werkgelegenheid onder de 67,5 miljoen Vietnamezen en voor 50 procent van het BNP, is vorig jaar maar 1,2 procent gegroeid tegen 6,4 procent in 1989.

Het streven van Hanoi om tot 1995 het gemiddelde jaarinkomen per hoofd van de bevolking, nu (omgerekend) 400 gulden, zes tot acht procent per jaar op te krikken staat of valt volgens de Bank met de politieke wil om het hervormingsbeleid met kracht voort te zetten.

De leiders in Hanoi zien sommige hervormingen met toenemende vrees aan, zoals het besluit om duizenden onrendabele staatsbedrijven failliet te laten gaan in plaats van ze in stand te houden met goedkope leningen.

Dat zou nog wel eens meer werklozen kunnen opleveren en later mogelijk politieke instabiliteit, iets wat Vietnam vooralsnog bespaard is gebleven, tot opluchting van zijn regeerders, vooral gezien de rumoerige veranderingen in Oost-Europa.

“Als wij in 1986 niet hadden gedaan wat we hebben gedaan, zou alles uit elkaar zijn geklapt zoals in Oost-Europa”, zei onlangs een regeringsfunctionaris, sprekend over het partijbesluit de rampzalige centrale planning af te schaffen ten gunste van marktgerichte hervormingen.

Volgens de Bank is het tekort aan goedkope buitenlandse leningen het meest directe obstakel voor het welslagen van Vietnams hervormingen.

Washington, dat een handelsembargo tegen Hanoi handhaaft, blokkeert leningen van het International Monetair Fonds, de Wereldbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank en andere internationale geldschieters.

Daardoor was het voor Hanoi in 1990 een zware slag toen zijn aloude handelspartners en hulpverleners - de Sovjet-Unie en Oost-Europa - de hulp sterk reduceerden.

Vietnams totale buitenlandse schuld zwelde aan tot naar schatting 14,6 miljard dollar in 1990 (was 14 miljard in 1989), hoewel het begrotingstekort in 1990 terugliep tot 6,7 procent van het BNP (van 11 procent in 1989), aldus de Aziatische Ontwikkelingsbank, die voorspelt dat de Vietnamese economie dit jaar met vier en volgend jaar met vijf procent zal groeien, terwijl de groei in de industriele sector zes en zeven procent zou gaan belopen.

Het handelstekort zal naar schatting van de Bank dit jaar stijgen tot 790 miljoen dollar, en in 1992 tot 910 miljoen.

Vietnamese firma's speuren intussen naar nieuwe markten in de niet-communistische wereld en ontdekken dat nog onbekende verschijnselen als particuliere bedrijfsvoering en concurrentie soms voor pijnlijke verrassingen kunnen zorgen.

De regering laat zich pas sinds kort over de particuliere sector uit en noemt die de 'niet-staatssector'.

Een Franse bank die staatsbedrijven in Vietnam adviseert over privatisering moest onlangs helpen een nieuw werkwoord te verzinnen, ko phan hoa, hetgeen betekent 'tot iets met aandelen maken', om niet het woord privatiseren te hoeven gebruiken.

Premier Do Muoi heeft vorige jaar september gezegd dat het een van Vietnams belangrijkste taken was nieuwe kaders en bedrijfleiders op te leiden die het wereld-marktmechanisme begrepen.

“Volgens ons hebben ze niet genoeg begaafde, competente mensen om zo'n beleid uit te voeren”, aldus de regeringsfunctionaris, die naamloos wilde blijven. (Reuter)