Europese sociale partners oneens over Europese cao

ROTTERDAM, 25 JUNI. Europese organisaties van werkgevers en werknemers zijn het niet eens over de vraag of er op Europees niveau bindende overeenkomsten moeten komen over arbeidsvoorwaarden. De werknemers zijn voor, de werkgevers achten de tijd voor deze zogenoemde kaderakkoorden nog niet rijp.

De Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de Europese Gemeenschap, tracht de betrokkenheid van werkgevers en werknemers bij haar beleid te vergroten. Enerzijds wil ze sociale regelgeving realiseren, anderzijds wil ze stimuleren dat de sociale partners zelf afspraken maken.

Begin dit jaar vroeg voorzitter Delors van de Commissie aan de Europese organisaties van indstriele werkgevers (Unice), overheidsbedrijven (Ceep) en werknemers (EVV) op welke wijze zij deze 'sociale dialoog' denken te voeren. In mei kreeg het EVV-bestuur van de aangesloten vakcentrales het mandaat met de werkgevers bindende overeenkomsten af te sluiten over onderwerpen als arbeidstijden en scholing. Unice en Ceep hebben de Commissie gisteren laten weten daar niets voor te voelen. Zij willen het overleg met de werknemers wel “versterken”, maar daarin niet verder gaan dan “gezamenlijke aanbevelingen aan de nationale overheden en de Europese Commissie”, aldus directeur sociale zaken van de Unice, B. Arnold. Volgens hem kunnen de sociale partners op Europees niveau geen bindende afspraken maken, omdat er nog geen Europees overeenkomstrecht is. Bovendien heeft de Unice niet van alle aangesloten werkgeversorganisaties mandaat voor het maken van afspraken met Europese reikwijdte. “Maar ik kan niet verhelen dat werkgevers liefst zo weinig mogelijk bindende regels willen”, aldus Arnold.

Het EVV is teleurgesteld over de opstelling van de werkgevers, die volgens hem bewijst dat zij alleen genteresseerd zijn in de totstandkoming van de interne markt, en invulling van de 'sociale dimensie' van Europa blijven dwarsbomen.