De nieuwe Marx, een agitator uit het hoge Noorden

Onder de titel 'Economie als wereldoorlog' heeft de Groningse priester Herman Verbeek, lid van het Europese Parlement voor Groen Links, een boek geschreven dat verdient te worden gelezen en gekritiseerd.

De schrijver vindt dat het economisch leven van de vrije concurrentie zo erg is als een oorlog. Hij denkt aan de slachtoffers van het doodgeconcurreerd worden - een winkelier die zijn winkel moet sluiten, of een andere werkloze.

Dit is zijn hoofdstelling. Daarnaast heeft hij vele nevenstellingen en gevolgtrekkingen. Deze worden gebracht in een stijl van heel korte zinnen, die hetzelfde op drie, vier manieren zeggen en als mokerslagen klinken van een enthousiast agitator.

Als Marx, schetst hij de opeenvolging van maatschappelijke stelsels. Als Marx, ontleedt hij het huidige stelsel in verschillende landen, maar weigert hij recepten voor de toekomst te geven. Omdat hij meer dan een eeuw later leeft dan Marx, maakt hij nieuwe problemen mee; de milieuvervuiling met aangetste bossen en nieuwe woestijnen. Daarnaast het broeikaseffect en de aanasting van de ozonlaag in de atmosfeer.

Ten slotte ook nog de noodzakelijke aandacht voor latere generaties. De wedstrijd tussen verschillende stelsels is, volgens velen, gewonnen door de liberalen. Verbeek is het daarmee niet eens. Hij noemt de taken van de openbare sector. Bescherming van de zwakken in de sociale oorlog en zorg voor de infrastructuur. Hij vermeldt het verbod van kinderarbeid in Engeland in 1833 - meer dan 40 jaar eerder dan in Nederland - en beperking van de werktijd in 1901 (maar wel tot 12 uur per dag!). Hij stelt dat niet alle markten vrijgelaten moeten worden.

Ook hij stelt een zekere convergentie van het maatschappelijk stelsel van het Westen en dat van het Oosten vast. Hij verwijt West-Europa steun te geven aan Oost-Europa ten koste van de onderontwikkelde landen. Voor westerse investeerders is het veel aantrekkelijker om te investeren in Oost-Europa dan in de onderontwikkelde landen. De val van de Berlijnse muur kwam, voor die westerse investeerders, precies op tijd: er begon een stagnatie in de eigen volkshuishoudingen.

Ook op het gebied van de internationale samenwerking - Volkenbond, Verenigde Naties - heeft hij meer beleefd dan Marx. Ook daar heeft hij wel kritiek, maar geen recepten.

Als goed agitator pleit hij voor dienst weigeren, voor het weigeren van het verbruik van milieuonvriendelijke goederen.

Verbeek heeft een boeiend boek geschreven, opmerkelijk boeiender dan Das Kapital, maar in veel opzichten in het verlengde ervan. In veel opzichten ook een uitleg.

Wat zijn hoofdstelling betreft, ben ik geneigd te vragen: houdt hij wel rekening met wat een oorlog nu kan worden, met Hirosjima?

De verschrikkingen van honger en hongerdood zijn met een (conventionele) oorlog wel te vergelijken. Maar die bestonden alleen in het kapitalisme zonder staatsingrijpen, omstreeks 1850 in Engeland.

Over dit complete laissez-faire kan ik het met hem eens zijn, maar in ontwikkelde landen bestaat dat niet meer. Wel in onderontwikkelde landen. Geen van onze politieke partijen is daar meer voor te vinden.

Sociale zekerheid, de socialistische component in onze gemengde volkshuishoudingen, ontbreekt zelfs in de Verenigde Staten niet. De vraag kan gesteld worden, hoeveel socialisme moet de mengvorm bevatten. De beste maatstaf lijkt mij de hoeveelheid herverdeling, waarmee ik bedoel het percentage van het nationale inkomen dat van de hogere naar delagere inkomens wordt overgeheveld. In een eerste verkenning ben ik tot de slotsom gekomen dat, als men het totale welzijn van een land tot een maximum wil maken, tussen de 3 en de 25 procent van het nationale inkomen moet worden herverdeeld, afhankelijk van de tijd waarin men het doel wil bereiken. Volgens de cijfers die dit begrip het best benaderen, die van het World Labour Report (1984) van de Internationale Arbeids-Organisatie, vallen alle ontwikkelde landen in of boven dat interval, met als toplanden Zweden (29,9 procent) en Nederland (28,3 procent) De interpretatie van de topcijfers is m.i. niet, dat deze landen te ver zijn gegaan. Zij hebben naast de doelstelling van het maximale nationale welzijn nog een ander doel nagestreefd, dat van rechtvaardigheid. Deze laatste betekent voor mij gelijk welzijn, en een der middelen om dat te bereiken is de overheveling van inkomen van hen die prettig werk doen naar hen die vervelend werk doen. Over de 'hoeveelheid'

rechtvaardigheid en de meting ervan is natuurlijk nog veel te praten. Met de stelling dat 'het liberalisme gewonnen heeft' ben ik het, net als Verbeek, niet eens. Mijns inziens heeft de sociaal-democratie gewonnen.

Een schoonheidsfout - die gemakkelijk te verhelpen is - van het boek is dat veel namen van bekende politici verkeerd gespeld zijn. Om er een paar te noemen: Chroesjtsjov, Mitterrand, Erhard. Merkwaardig voor zo'n belezen man, want dat is hij; zowel wat theoretische als beschrijvende literatuur betreft.