Atletiektop VS afhankelijk van de rijke overzeese markt

ENSCHEDE, 25 JUNI. Michael Johnson op de omslag van het Amerikaanse weekblad Sports Illustrated. Het is al weer ruim een maand geleden, maar atleten uit dat land spreken er nog altijd vol ontzag over. Want het gebeurt uiterst zelden dat een atleet die eer ten deel valt. Het is de helden van de atletiek in de Verenigde Staten niet gegeven een volwaardigplaats te veroveren tussen sterren uit honkbal, basketbal, ijshockey en American football. Eens per vier jaar, als ze een bijdrage leveren aan de goudoogst op Olympische Spelen, krijgen ze volop aandacht maar een seizoen later lijken ze al weer vergeten.

Boven het niveau van de collegesport, dat ook onder toenemende druk staat, zijn er weinig competitie-mogelijkheden. Het indoorcircuit dat een aantal jaren geleden werd opgezet is doodgebloed, een behoorlijke wedstrijd op buitenbanen is er niet. Dat San Jose de status van een Grand Prix-meeting heeft noemen insiders een regelrechte aanfluiting.

Atleten verdienen hun geld dan ook voornamelijk buiten de landsgrenzen. “Als we niet zouden deelnemen aan het wedstrijdencircuit in Europa zouden onze atleten er net zo voorstaan als de sport hier: dood als een pier”, zegt Joe Douglas de succesvolle manager van atleten als Carl Lewis en Leroy Burrell.

“Niemand zou zich kunnen veroorloven zonder die wedstrijdenreeks full time met de sport bezig te zijn”, voegt Tony Cambell, al twintig jaar begeleider van Amerikaanse atleten, er aan toe.

De uitschakeling van geduchte concurrenten wordt op een presenteerblaadje aangereikt, maar organisatoren van Europese meetings bieden tegen elkaar op om Amerikaanse atleten op hun affiche te kunnen zetten. De Adriaan Paulen Memorial, die vanavond in Hengelo wordt gehouden, heeft onder anderen Calvin Smith (wereldkampioen 200 meter in983 en 1987), Dennis Mitchell (in Seoul vierde op de 100 meter) en Roger Kingdom (wereldrecordhouder 110 meter horden) aan de start.

Volgende week maandag in het Noordfranse Villeneuve d'Ascq verschijnen Carl Lewis en de Canadees Ben Johnson voor het eerst sinds de veelbesproken Olympische finale van Seoul tegen elkaar uit op een 100 meter.

De kerverse wereldrecorhouder Leroy Burrell (hij liep twee weken geleden in New York 9,90 sec. op de 100 meter) mt er ook naar toe, maar mag van Douglas niet in dezelfde race als die twee giganten lopen. Omdat hij de persoonlijke triomf van Lewis zou kunnen verstoren? “Nee, omdat Burrell nog jong is en trainer Tom Tellez vindt dat Carl en hij niet meer dan vier keer in een seizoen tegen elkaar mogen uitkomen. Deze wedstrijd zou te veel worden”, laat Douglas vanuit zijn residentie bij Los Angeles weten.

Douglas geldt als een gewiekste zakenman, die de wedstrijd-directeuren knap tegen elkaar uitspeelt. Terwl de organisatoren, geschrokken van de explosief stijgende startgelden, jaarlijks de koppen bij elkaar steken om een front te vormen tegen de prijsopdrijving, creeert hij met het sportief oninteressante duel Lewis-Johnson een schaarste-product. De man achter de Santa Monica Track Club, het opleidingsinstituut voor sprinters, waakt ervoor dat zijn sterkste lopers te vaak in een race naast elkaar staan. Die marketing-strategie levert geld op. De Fransetellen voor de sprint van 'de twee van Seoul'

500.000 dollar neer. Burrell loopt een 200 meter voor 70.0000 dollar, een bedrag dat even hoog is als de totale kosten voor de rest van het deelnemersveld.

Zijn de startgelden voor de sprint-elite extreem hoog, ook voor andere Amerikanen moet flink in de buidel worden getast. “Omdat ze bereid zijn wat te laten zien”, luidt de verklaring van Cambell, die in Hengelo Mitchell begeleidt.

“Ze zorgen voor een goede show, daar komt het publiek af”, vult Hans Disseldorp - rechterhand van de Nederlandse atletenbemiddelaar Jos Hermens - aan. De prijs die in Europa wordt betaald voor atleten uit de VS, is doorgaans hoger dan het startgeld dat Europeanen krijgen. Maar een verschil is wel dat slechts een relatief kleine bovenlaag emplooi vindt in het Europese circuit. Subtoppers uit Europese landen kunnen, vooral door de lagere reiskosten, veel gemakkelijker startgelegenheid op grote meetings krijgn.

Vandaar dat Joe Douglas vindt dat er nodig iets moet gebeuren aan de ontwikkeling van de atletiek in de Verenigde Staten. “Maar bij ons wordt de sport geleid door amateurs. De infrastructuur deugt niet. Er zijn te weinig grote wedstrijden, er is te weinig publiciteit voor de sport en de atleten.”

Een poging om de voornamelijk aan de westkust bedreven sport ook aan de andere kant van het land te helpen ontwikkelen was de organisatie van het Amerikaanse kampioenschap, dat tevens gold als kwalificatie voor de wereldtitelstrijdeind augustus in Tokio, werd gehouden in Downing Stadium in New York. Die keuze werd fel bekritiseerd in het blad Track & Field news. De accommodatie heette er rampzalig slecht te zijn. Desondanks liep Burrell er zijn wereldrecord. Volgend jaar zijn de faciliteiten in New Orleans stukken beter, maar omdat de temperatuur naar verwachting weer te hoog zal zijn is ook bij die selectie volgens atleten onvoldoende nagedacht over het creeren van optimale omstandigheden.

Het is opmerkelijk dat de wereldsterren en hun vertegenwoordigers er nauwelijks over klagen. Douglas: “Ik wil geen kritiek leveren op de kampioenschappen. Laten we het er op houden dat ze gewoonweg niet gewend zijn om grote wedstrijden te houden. Als we dat zouden doen moeten we de beste Europeanen en Afrikanen laten komen. Daar hebben we geld voor nodig en dat komt er pas als er een behoorlijke televisie-coverage is. Die ontbreekt op dit moment, dus zitten we ineen vicieuze cirkel. Misschien dat die doorbroken wordt in de aanloop naar de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta. Dan zijn we altijd wat egostischer.”

Voorlopig echter zijn Amerikanen voor negentig procent afhankelijk van de overzeese markt, waar ze worden gefeteerd als ware kampioenen zoals gisteravond in Hengelo waar de publiekstrekkers in het gemeentehuis een soiree wachtte. Geld en stardom maken veel goed van het kleine ongemak dat de intercontinentale verplaatsingen met zich mbrengt en zo lang in Europa stapels geld liggen te wachten op Amerikaanse toppers ontbreekt de dringende noodzaak om de atletiek agressiever te promoten in het land dat in het algemeen niet krenterig is voor zijn sportsterren.