Aria's als 'intermezzi' in reizende produktie van Engelse regisseur; Ken Hill zet fantomen op de planken

The Phantom of the Opera, Circustheater Scheveningen, 25 t-m 27- 6.

In het Circustheater in Scheveningen begint vanavond een serie voorstellingen van The Phantom of the Opera. Niet de musical van Andrew Lloyd Webber, maar een oudere bewerking van de Britse regissr en toneelschrijver Ken Hill, met muziek uit bestaande opera's.

Ken Hill geeft grif toe, dat hij sinds enkele jaren behaaglijk meedeint op de golven van de Phantom mania die is veroorzaakt door de weelderig geensceneerde hit-musical van Andrew Lloyd Webber. Maar hij stelt nadrukkelijk dat hij er niet op uit is verwarring te scheppen: “We maken overal duidelijk dat dit niet de produktie van Andrew is.

Er zijn trouwens mjoenen mensen, vooral buiten de grote steden, die nog nooit van Lloyd Webber hebben gehoord. Die kunnen dus ook niet teleurgesteld zijn als blijkt dat dit een andere Phantom of the Opera is. Ik heb trouwens nog nooit gehoord dat iemand zich daarover beklaagde. Het zou alleen een probleem zijn als onze show beneden de maat was. En dat is niet het geval. Ik vind zelfs dat ik het verhaal beter vertel dan Andrew. Ik ben dichter bij het boek gebleven.''

De oerversie van Ken Hill dateert uit 1976 en is daarmetien jaar ouder dan de beroemde bewerking door Lloyd Webber. De auteur en regisseur had eerder, zegt hij, succes geboekt met theater-adaptaties van Dracula, De graaf van Monte Christo en De gebochelde van de Notre Dame. Toen een Londens theater hem om een nieuwe produktie in dat genre vroeg, stuitte hij op het Spook van de Opera: “Ik kreeg toevallig in een rommelwinkeltje een oud exemplaar in handen van de Engelse vertaling. Ik wist niet eens dat het boek bestond, ik kende alleen de film met aude Rains uit 1943 en die had ik destijds slecht gevonden. Pas jaren later heb ik de schitterende stomme film met Lon Chaney uit 1926 gezien. Het eerste waar ik op viel, was de titel. Het tweede was het prachtige verhaal.”

Le fantome de l'Opera dateert uit 1910 en werd geschreven door de Parijse journalist, detective-auteur en globetrotter Gaston Leroux.

Hij baseerde zich op de legende dat in de duistere gewelven van de Opera een geest rondwaarde - geen monster, volgens zijn boek, maar een eenzaam hepsel dat radeloos verliefd is op een fragiel sopraantje. Nog tijdens zijn leven werd de eerste van de vele verfilmingen gemaakt.

Sinds het in 1977 vijftig jaar geleden was dat de schrijver overleed, zijn de titel en het verhaal publiek domein geworden. Niemand kan een ander verbieden daarvan een bewerking ten tonele te voeren, “zelfs Andrew Lloyd Webber niet, die op dat terrein doorgaans toch tamelijk bedreven is”.

De versie van n Hill is, naar zijn zeggen, een toneelstuk met muzikale intermezzi. De songs zijn ontleend aan opera's die in de vorige eeuw in het Parijse operagebouw werden uitgevoerd: aria's uit La vie Parisienne en Les contes d'Hoffman van Offenbach, Faust van Gounod, Simon Boccanegra en Il Corsaro van Verdi, Der Freischutz van Von Weber, Lucia di Lammermoor van Donizetti en Don Giovanni van Mozart.

“Ik heb met opzet onbeholpen vertalingen gemaakt, want in de Victoriaanse tijd werden opera's in Eneland altijd slecht vertaald.

Het zijn, als je goed luistert, mad lyrics, maar de ervaring leert dat bijna niemand die grap oppikt.''

Bij de keuze van de aria's behoedde hij zich voor anachronismen. “Het zou bijvoorbeeld verkeerd zijn geweest om iets van Puccini te nemen, die kwam pas later.” Te oordelen aan de malicieuze blik in zijn ogen is het voorbeeld niet toevallig gekozen - vele malen is Andrew Lloyd Webber, zijn grote concurrent, beschuldigd van Puccini-igonisme.

Hill heeft met zijn Phantom de grote theatercentra West End (Londen) en Broadway (New York) nimmer gehaald, maar de produktie staat regelmatig op het repertoire van tourneegezelschappen. Op dit moment is een Britse groep ermee op tournee in Engeland; de versie die vanaf vanavond in Scheveningen te zien is, wordt gespeeld door een Amerikaans ensemble dat net negen maanden San Francisco achter de rug heeft. De drie avonden in het Circustheater vormen het begin van een drie maanden durende toerneep het Europese vasteland.

“We proberen het verhaal zo geloofwaardig mogelijk te spelen,” zegt hij. “Niet melodramatisch, want dat zou niet meer acceptabel zijn, maar wel theatraal. Je moet ervoor zorgen dat het publiek echt gaat geloven dat er een geest rondwaart. Daartoe is het nodig je te verplaatsen in de negentiende eeuw, toen vampieren en geesten en spiritisme nog heel dicht bij de mensen stonden. Zodra er een kaars uitwoei, was er een spook aan het werk. Alsje het naar de tegenwoordige tijd zou verplaatsen, zou iemand meteen zeggen: doe even het licht aan, ik dacht dat ik iets hoorde.”